ECLI:NL:RBMNE:2026:4472

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
25/3070
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 2.1 lid 3 WhtArt. 2.3 lid 9 WhtArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Midden-Nederland wijst beroep toe op aanvullende schadevergoeding kinderopvangtoeslagaffaire

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, vordert een hogere aanvullende schadevergoeding dan toegekend door Dienst Toeslagen. De rechtbank beoordeelt het beroep op basis van de materiële en immateriële schadecomponenten.

De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen onterecht geen compensatie heeft toegekend voor de gemiste waardestijging van bijna 600 gram goud en sieraden die eiseres heeft moeten verkopen. Eiseres heeft dit aannemelijk gemaakt met bankafschriften en waardeberekeningen. De rechtbank draagt Dienst Toeslagen op deze schade alsnog te vergoeden.

De gevraagde vergoeding voor inkomensschade door medische omstandigheden van de partner en voor een nieuwe inboedel wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs en causaal verband. Ook de eis tot een hogere immateriële schadevergoeding op basis van bouwstenen wordt niet toegewezen, behalve dat Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd hoe de vergoeding onder bouwsteen C is berekend.

Verder oordeelt de rechtbank dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure is overschreden, waardoor eiseres recht heeft op een schadevergoeding van € 1.500,-. De rechtbank wijst het beroep toe, vernietigt het bestreden besluit en draagt Dienst Toeslagen op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Proceskosten en griffierecht worden aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht tot hernieuwde beslissing en vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3070

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. de Heer),
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

1. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Na herbeoordeling van de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 is aan eiseres een compensatiebedrag van € 63.829,- toegekend.
2. Volgens eiseres is de werkelijke schade die zij heeft geleden hoger dan het compensatiebedrag. Op 26 november 2021 heeft eiseres een verzoek ingediend voor aanvullende vergoeding voor werkelijk geleden schade. Het gaat eiseres daarbij om immateriële schade, inkomensschade, studiekosten vanwege studievertraging, vermogensschade en medische kosten.
3. De Commissie Werkelijke Schade (CWS) heeft het verzoek van eiseres beoordeeld en heeft aan Dienst Toeslagen op 25 november 2022 geadviseerd een aanvullende schadevergoeding toe te kennen. Met het besluit van 28 december 2022 (het primaire besluit) heeft Dienst Toeslagen een aanvullende schadevergoeding toegekend aan eiseres á
€ 17.675,-. Eiseres heeft op 16 januari 2023 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 14 november 2023 heeft de CWS een aanvullend advies uitgebracht op basis van het vernieuwde beleidskader.
4. Met het besluit van 31 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft Dienst Toeslagen het advies van 18 februari 2025 van de Bezwaarschriften Adviescommissie (BAC) en de daarin gegeven motivering gevolgd en een extra schadevergoeding toegekend van € 34.272,-.
5. Eiseres heeft op 9 mei 2025 beroep ingediend omdat zij het niet eens is met de hoogte van de toegekende schadevergoeding.
6. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
8. Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit het verzoek van eiseres om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade deels toegekend, namelijk tot een bedrag van € 51.947,-. De vergoeding heeft betrekking op de volgende schadecomponenten: het voeren van de procedure bij de CWS, verlet- en reiskosten voor regelzaken, studiekosten wegens studievertraging, vermogensschade en immateriële schade. De gevraagde compensaties voor inkomensschade en een nieuwe inboedel zijn afgewezen.
9. De rechtbank beoordeelt of Dienst Toeslagen terecht de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade heeft vastgesteld op € 51.947,-.
Toetsingskader
10. Als een gedupeerde aanvrager meer schade heeft geleden dan op grond van de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag is toegekend, heeft de aanvrager aanspraak op een aanvullende schadevergoeding. [1] De aanvrager van aanvullende compensatie hoeft zijn schade niet te bewijzen, maar moet wel aannemelijk en concreet maken dat en in welke mate de werkelijk geleden schade het toegekende compensatiebedrag te boven gaat. Dienst Toeslagen moet bij zijn besluit op de aanvraag om aanvullende compensatie aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hetzelfde geldt voor de bestuursrechter bij de toetsing van een dergelijk besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen Dienst Toeslagen en de aanvrager in geschil is. [2] De rechtbank zal beoordelen of Dienst Toeslagen de aanvullende schadevergoeding op goede grond heeft vastgesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres, te beginnen met de materiële schadecomponenten en vervolgens de immateriële schadecomponenten.
Materiële schade
Verkoop van goud en sieraden
11. Eiseres heeft aangevoerd dat Dienst Toeslagen haar ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de gemiste waardestijging van haar goud en sieraden. In totaal heeft eiseres bijna 600 gram goud moeten verkopen om de terugvordering van de kinderopvangtoeslag te kunnen voldoen. Eiseres wijst op het Schadekader CWS 2024, dat ten tijde van het bestreden besluit van toepassing was en een vergoeding voorschrijft voor gemiste waardestijging van goederen en verkoop onder de marktwaarde. Op de zitting heeft Dienst Toeslagen bevestigd dat deze schadepost niet correct is meegenomen. Het beroep is daarom gegrond.
12. De rechtbank overweegt dat het Schadekader CWS 2024 onder punt 3.6. een vergoeding biedt voor de gemiste waardestijging van sieraden van € 2.000,-, tenzij de ouder aannemelijk kan maken dat de werkelijke schade hoger is. Om de werkelijke schade goed vast te stellen is het van belang om te weten wat het gewicht van het verkochte goud en de sieraden is. Eiseres heeft met bankafschriften en een tabel inzichtelijk gemaakt op welke data in de periode van 30 september 2016 tot aan 26 december 2018 zij goud en sierraden heeft verkocht en om hoeveel gram het per keer ging, met daarbij vermeld wat de waarde van het goud was op de betreffende dag. Eiseres heeft gewezen op de gestegen goudprijs. Uit documenten van de CWS blijkt dat de goudwaarde in maart 2018 € 34,54 per gram was en op 17 mei 2024 € 70,78 per gram. Eiseres heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat haar schade groter is dan € 2.000,-. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank draagt Dienst Toeslagen op om de gemiste waardestijging te berekenen en te vergoeden, uitgaande van de waarde op de datum van de nieuwe beslissing op bezwaar.
Inboedel en woning
13. Eiseres stelt dat zij een andere woning had willen kopen, maar daar vanwege de kinderopvangtoeslagbesluiten van heeft afgezien. Daarom heeft zij toen ook geen nieuwe inboedel aangeschaft. Jaren later is zij wel verhuisd en was het noodzakelijk de inboedel te vernieuwen. Daarom wenst eiseres de kosten die zij heeft gemaakt voor een nieuwe inboedel gecompenseerd te zien.
14. Dienst Toeslagen stelt dat het causaal verband niet aanwezig is, en stelt dat er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat de genoemde schade is geleden. De rechtbank overweegt dat het aan eiseres is om aannemelijk en concreet te maken dat de schade daadwerkelijk is geleden en is toe te schrijven aan de kinderopvangtoeslagbesluiten. Dat heeft eiseres niet gedaan. Eiseres heeft geen stukken overgelegd over de voorgenomen aankoop van een andere woning. Daarom kan niet worden vastgesteld dat een andere woning zou zijn gekocht en ook niet dat daarbij de inboedel zou zijn vervangen. De kosten voor een nieuwe inboedel hoeven daarom niet te worden vergoed.
Inkomensschade door medische omstandigheden
15. Eiseres voert aan dat er onvoldoende rekening is gehouden met de medische klachten van haar partner. Volgens eiseres is de medische toestand van haar partner deels ontstaan, en in ieder geval verergerd door de problemen met de kinderopvangtoeslagbesluiten en heeft het gezin daardoor meer inkomensschade geleden dan waar de Dienst Toeslagen rekening mee houdt. Ter onderbouwing van haar stelling heeft eiseres een advies van een letselschadeadvocaat, kantoorgenoot van haar gemachtigde, overgelegd. Daarin staat, kort samengevat, dat in letselschadezaken geen al te hoge eisen worden gesteld aan de bewijslast van het slachtoffer, en daarom toch een vergoeding moet worden toegekend.
16. Volgens Dienst Toeslagen is niet aannemelijk dat de kinderopvangtoeslagbesluiten de arbeidsongeschiktheid van de partner van eiseres hebben veroorzaakt. Daarnaast is volgens Dienst Toeslagen niet aannemelijk gemaakt dat de partner van eiseres door de kinderopvangtoeslagbesluiten niet heeft kunnen herstellen en de arbeidsongeschiktheid zo is verergerd. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de CWS een medisch adviseur ingeschakeld. Die adviseur concludeert dat het niet aannemelijk is dat de problemen met de kinderopvangtoeslag hebben bijgedragen aan de arbeidsongeschiktheid van de partner. In de toegekende vergoeding heeft Dienst Toeslagen wel rekening gehouden met de kwetsbare persoonlijkheid van de partner van eiseres. Daarom is onder de immateriële schade een extra vergoeding berekend van € 500,- voor de partner van eiseres.
Het oordeel van de rechtbank over de inkomensschade
17. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de kinderopvangtoeslagbesluiten zodanige gevolgen hebben gehad, dat daardoor de ziekte van haar partner in die mate is verergerd dat dit arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt. [3] Eiseres is hier niet in geslaagd. Vast staat dat in 2013, het jaar waarin de partner van eiseres arbeidsongeschikt werd, nog geen enkele terugvordering plaatsvond. Eiseres heeft ook verder niet genoeg aannemelijk gemaakt dat de klachten van haar partner zijn verergerd door de kinderopvangtoeslagbesluiten, terwijl uit het medisch onderzoek dat Dienst Toeslagen heeft laten uitvoeren dit verband ook niet blijkt. De stelling van eiseres dat in letselschadezaken geen al te hoge eisen worden gesteld aan de bewijslast, doet er niet aan af dat eiseres in dit geval naast haar eigen standpunt niets naar voren heeft gebracht om de stelling aannemelijk te maken.
18. De rechtbank heeft er oog voor dat eiser als gedupeerde een moeilijke periode heeft doorgemaakt en veel doorzettingsvermogen heeft moeten opbrengen. Er is echter onvoldoende grondslag om Dienst Toeslagen in dit kader tot een hogere schadevergoeding te verplichten dan in het bestreden besluit is toegekend.
Immateriële schadevergoeding
De bouwstenen van de CWS
19. Voor de immateriële schadevergoeding werkt de CWS met bouwstenen. De bouwstenen geven per situatie een forfaitair bedrag met een bandbreedte voor de vergoeding van de schade. Eiseres stelt dat zij bij bouwstenen A, B, C, D en E recht heeft op het maximale forfaitaire bedrag binnen de bandbreedte. Eiseres heeft daarbij geen nadere onderbouwing gegeven De stelling alleen is niet genoeg om voor een hogere vergoeding in aanmerking te komen. Eiseres heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat de hoor haar geleden schade moet leiden tot een hoger bedrag dan het compensatiebedrag dat al aan haar is toegekend. De beroepsgrond slaagt niet.
Bouwsteen C: het inkomen van de ouders in relatie tot de teruggevorderde kinderopvangtoeslag
20. Ten aanzien van één bouwsteen heeft eiseres haar beroepsgrond op de zitting verduidelijkt en uitgebreid. Dienst Toeslagen heeft een bedrag van € 1.000,- toegekend ter vergoeding van de schok die bij eiseres is ontstaan als gevolg van de confrontatie met de kinderopvangtoeslagbesluiten. Op de zitting heeft eiseres gevraagd om een toelichting te geven over de toekenning van dat bedrag. Het is eiseres niet duidelijk waarom er onder bouwsteen C niet een groter bedrag wordt toegekend. Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat de hoogte van deze immateriële schadepost door de CWS wordt berekend door de totaal teruggevorderde kinderopvangtoeslag te delen door het totale (gezamenlijke) jaarinkomen in het confrontatiejaar/de confrontatiejaren. Afhankelijk van de uitkomst kan het bedrag variëren tussen de € 500,- en € 3.000,-. Voor de bepaling van het bedrag wordt een factor gebruikt die niet openbaar is gemaakt door de CWS. Eiseres heeft daarop aangegeven de achterliggende factor en bijbehorende toebedeling in te willen zien, omdat het voor haar niet inzichtelijk is hoe de factor van invloed is op de bepaling van het toegekende bedrag.
21. De rechtbank overweegt dat Dienst Toeslagen niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe deze factor van invloed is op de toerekening van de immateriële schade onder bouwsteen C. Het besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn
22. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
23. Volgens vaste rechtspraak vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De behandeling van het bezwaar mag maximaal een half jaar duren en de behandeling van het beroep maximaal anderhalf jaar. In totaal gaat het dus om twee jaar. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden (afgerond naar boven).
24. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschift van eiseres op 8 februari 2023 tot deze uitspraak, zijn meer dan drie jaar, maar minder dan drieënhalf jaar verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn van twee jaar met anderhalf jaar is overschreden. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500,-. De bezwaarprocedure heeft – tot het besluit op bezwaar van 31 maart 2025 – net iets meer dan twee jaar geduurd. De procedure bij de rechtbank is begonnen met het beroepschrift van 16 mei 2025 en heeft tot de uitspraak van vandaag ongeveer een jaar en vier maanden geduurd. Daarmee is de behandeling bij de rechtbank binnen de anderhalf jaar gebleven. De termijnoverschrijding is daarom in zijn geheel toe te rekenen aan Dienst Toeslagen. Omdat het beroep gegrond is, zal Dienst Toeslagen opnieuw op het bezwaar van eiseres moeten beslissen. Daarin zal Dienst Toeslagen ook het tijdverloop moeten betrekken en de daaruit voortgevloeide immateriële schade moeten vergoeden.
Hardheidsclausule
25. Voor zover eiseres met haar betoog een beroep doet op de hardheidsclausule, overweegt de rechtbank het volgende.
26. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van bepaalde artikelen in de wet kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is gezien de wetsgeschiedenis vereist dat de betreffende bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. De rechtbank overweegt dat eiseres niet heeft benoemd van welke bepaling zou moeten worden afgeweken en ook niet waarom de toepassing van die bepaling dan onbillijk zou zijn. Ook heeft eiseres geen actuele omstandigheden heeft genoemd die maken dat de situatie zo schrijnend is dat de hardheidsclausule moet worden toegepast. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

27. Het beroep is gegrond, dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Zij krijgt haar griffierecht terug en heeft recht op vergoeding van haar proceskosten.
28. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Dienst Toeslagen moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-
29. Eiseres heeft ook gevraagd om een vergoeding toe te kennen voor het advies van de advocaat in de medische kwestie van de partner van eiseres. De rechtbank overweegt als volgt. De kosten voor het inroepen van een deskundige komen voor vergoeding in aanmerking voor vergoeding als het inroepen van die deskundige redelijk is en de deskundigenkosten zelf ook redelijk zijn. [4] Het is niet vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van dat geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de beslissing. De rechtbank staat voor de vraag of het inroepen van een deskundige redelijk was. Ter beantwoording van die vraag, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. [5] Gelet op de medische problematiek had het voor de hand gelegen om een medisch deskundige in te schakelen. Een advocaat is geen medisch deskundige en kan enkel een zienswijze vanuit de eigen expertise inbrengen. Dat is niet genoeg om twijfel te zaaien over de medische beoordeling, zoals een onafhankelijke medisch deskundige wel kan. Gelet daarop was het inroepen van het advies van de advocaat niet redelijk. De gemaakte kosten van de door de advocaat uitgebrachte advies worden dan ook niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt Dienst Toeslagen op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt Dienst Toeslagen op de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-;
- draagt Dienst Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, lid 3 en artikel 2.3, lid 9 van de Wht.
2.ABRvS 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620.
3.Zie voor dit toetsingskader de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620.
4.RvS, 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5468, r.o. 4.1.
5.RvS, 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5468, r.o. 4.2.