Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaken tussen
[eiseres] V.O.F. h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [plaats] , eiseres
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
De Wav-boete (UTR 25/2664)
Is er sprake van overtredingen van de Wav?
Uit de eigen verklaringen van de studenten volgt dat een dergelijk onderzoek niet is gedaan. De vennoten van eiseres verklaren daarnaast dat zij niet wisten dat zij de onderzoeken moesten begeleiden en dat zij dus niks afwisten van de inhoud daarvan. Ook zij erkennen dat de onderzoeken, voor zover zij weten, niet zijn uitgevoerd. De minister heeft kunnen overwegen dat juist dit onderzoek een belangrijke factor is waardoor de stages het vereiste hbo- of universitaire niveau halen. Juist dat onderzoek onderscheidt de stage in dit geval van een stage op mbo-niveau (naar Nederlandse maatstaven).
Dat daarbij met een “Nederlandse bril” wordt gekeken, vindt de rechtbank niet onbegrijpelijk omdat het gaat om Nederlandse regelgeving. Dat het Nederlandse opleidingsniveau het uitgangspunt vormt wordt ook bevestigd in het aanvraagformulier, waarin wordt gevraagd wat het niveau is van de stage naar Nederlandse maatstaven. Eiseres wijst er terecht op dat er wel verslagen zijn gemaakt van de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden maar de minister heeft kunnen overwegen dat die niet voldoen aan de eisen die aan een onderzoek conform het trainingsplan mogen worden gesteld. Zo is er op geen enkele wijze gebleken dat de studenten data hebben verzameld en dat zij literatuurstudies of andere onderzoeksmethodes hebben toegepast. Ook is niet gebleken dat het onderzoek is besproken met de supervisor en dat de opzet en het onderzoek verder zijn uitgewerkt of gepresenteerd.
Verder heeft de minister kunnen overwegen dat ook uit de overige werkzaamheden niet is gebleken dat het vereiste niveau van de stage is gehaald. Dat een deel van de leercomponenten uit het trainingsplan wel is gerealiseerd, maakt niet dat de minister had moeten concluderen dat wél aan het vereiste niveau is voldaan. De studenten hebben verklaard dat zij het merendeel van de tijd hebben meegewerkt in de productie; door bijvoorbeeld gewassen te oogsten, sorteren en voorbereiden voor de verkoop. Ook hebben zij de grond voorbereid en gezaaid. De minister heeft er in dit kader terecht op gewezen dat het enkele feit dat er veel geleerd is door de studenten omdat zij in hun thuisland niet bekend zijn met biologisch dynamische agrarische bedrijven, onvoldoende is voor een ander oordeel. Omdat de feitelijke werkzaamheden niet overeenkomen met de hbo- of universitaire stage waarvoor een tewerkstellingsvergunning is verleend, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat artikel 2, eerste lid, van de Wav is overtreden. Gelet op het voorgaande staat immers vast dat de feitelijke werkzaamheden niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden van de vergunningen die verleend waren.
dussprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Omdat de minister niet heeft voldaan aan zijn bewijslast kan niet worden gesproken van een overtreding en is de boete op grond van de Wml naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte opgelegd. De minister was daarom ook niet bevoegd om de last onder dwangsom in het kader van de Wml op te leggen.
Beslissing
mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier.