ECLI:NL:RBMNE:2026:4854

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2349
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen op bezwaar en oplegging dwangsom

Eiseres diende op 17 december 2024 een bezwaarschrift in tegen een besluit van 21 november 2024 bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, wat onomstreden is. Na ontvangst van een ingebrekestelling op 18 juni 2025 verstreken twee weken zonder beslissing, waarna eiseres op 18 maart 2026 beroep instelde.

De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen. Gezien de omstandigheden, waaronder een hoorzitting op 28 juni 2025 en een tekort aan verzekeringsartsen, wordt een termijn van twee weken gehanteerd. Voor elke dag overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-.

Het verzoek van eiseres om wettelijke rente over de dwangsom wordt afgewezen, omdat wettelijke rente niet van toepassing is op door de bestuursrechter opgelegde betalingsverplichtingen. Daarnaast krijgt eiseres een proceskostenvergoeding van € 467,- en wordt verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht van € 54,- aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2349

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. Winia),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 17 december 2024 tegen het besluit van 21 november 2024.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar bezwaarschrift ingediend op 17 december 2024. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 18 december 2024. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 30 maart 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 18 juni 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 18 maart 2026 beroep ingesteld.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan
verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om het bezwaar binnen de gestelde termijn af te handelen. Ook blijkt uit de brief van 8 mei 2026 van verweerder dat er op 28 juni 2025 een hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op twee weken. De rechtbank wijkt hierbij af van haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. [2] De rechtbank ziet aanleiding om in dit geval af te wijken omdat ten tijde van deze uitspraak er reeds een hoorzitting heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen. De rechtbank sluit hiermee aan bij haar uitspraak van 21 oktober 2025. [3]
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

7. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van twee weken na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiseres.
8. Eiseres vraagt om rente over de verschuldigde dwangsom. De rechtbank wijst dit af. Verschuldigdheid van wettelijke rente over bestuursrechtelijke geldschulden is geregeld in titel 4.4 van de Awb. Uit artikel 4:85 van Pro de Awb volgt dat die titel niet van toepassing is op verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de bestuursrechter zijn opgelegd.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten
die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 54,- aan
eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- wijst het verzoek om wettelijke rente af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).