ECLI:NL:RBMNE:2026:4864

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2753
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar en oplegging dwangsom

Eiser diende op 13 november 2025 een bezwaarschrift in tegen een besluit van 6 november 2025. Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist. Eiser stelde verweerder op 27 maart 2026 in gebreke, waarna verweerder de ingebrekestelling op 9 april 2026 ontving. Hoewel eiser te vroeg in beroep ging, verklaart de rechtbank het beroep ontvankelijk en gegrond omdat verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen.

De rechtbank legt een beslistermijn van twee maanden op aan verweerder, aansluitend bij eerdere jurisprudentie, vanwege achterstanden door een tekort aan verzekeringsartsen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht van €54 en een proceskostenvergoeding van €467 aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter J. Wolbrink en uitgesproken op 5 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn van twee maanden op en een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2753

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Jansen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld op 10 april 2026, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 13 november 2025, tegen het besluit van 6 november 2025.
Verweerder heeft een verweerschrift en stukken ingediend.

Overwegingen

1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft zijn bezwaarschrift ingediend op 13 november 2025. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 21 november 2025. Uit het verweerschrift van 21 april 2026 blijkt dat verweerder niet op tijd is met zijn beslissing op bezwaar. Eiser heeft verweerder op 27 maart 2026 in gebreke gesteld. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 9 april 2026 heeft ontvangen.
4. Eiser is vervolgens te vroeg in beroep gegaan. De termijn van twee weken die in de gebrekestelling staat, was namelijk nog niet voorbij toen eiser het beroep indiende. De hoofdregel is dan dat het beroep niet-ontvankelijk is. In dit geval beslist de rechtbank dat het beroep tóch ontvankelijk is, omdat de termijn van twee weken inmiddels wel is verlopen en verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
6. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan
verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. [2] De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

8. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van twee maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiser.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten
die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 54,- aan
eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- dat eiser heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).