ECLI:NL:RBMNE:2026:614

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
UTR_24_7961
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herbeoordeling WIA-uitkering en arbeidsongeschiktheid door UWV

Werkgeefster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om de WIA-uitkering van haar ex-werknemer per 14 april 2024 te beëindigen na een herbeoordeling op 23 november 2022. Werkgeefster stelt dat het UWV eerder had moeten beoordelen of de werknemer al voor die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was, zodat de uitkeringslasten mogelijk eerder niet meer voor haar rekening hadden moeten komen.

De rechtbank overweegt dat het UWV geen wettelijke verplichting heeft om tot een herbeoordeling over te gaan en dat het niet eerder uitvoeren van een herbeoordeling geen gebrek in het besluit vormt. Ook is het UWV niet verplicht om vast te stellen of de arbeidsongeschiktheid al vóór de aanvraagdatum was gewijzigd. Werkgeefster had zelf eerder om een herbeoordeling kunnen verzoeken, maar heeft dit nagelaten.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid heeft beoordeeld per de datum van de aanvraag tot herbeoordeling. Werkgeefster krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter M.W.A. Schimmel op 24 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep van werkgeefster tegen het UWV wordt ongegrond verklaard omdat het UWV niet verplicht is een herbeoordeling vóór de aanvraagdatum uit te voeren.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7961

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (werkgeefster)

(gemachtigde: mr. C.J.M. de Wit),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: W.A. Postma).

Inleiding

1.1.
Het Uwv heeft per 19 november 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend aan de
ex-werknemer van werkgeefster, [A] (werknemer). In een besluit van
23 maart 2015 heeft het Uwv deze uitkering per 3 juni 2015 gewijzigd in een
WGA-loonaanvullingsuitkering. Werkgeefster heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze beide besluiten.
1.2.
Op 23 november 2022 heeft de werkgeefster het Uwv verzocht om een herbeoordeling uit te voeren. Deze herbeoordeling heeft op 5 februari 2024 plaatsgevonden en heeft ertoe geleid dat werknemer per datum van de aanvraag van de herbeoordeling minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Vervolgens heeft het Uwv in een besluit van 13 februari 2024 (het primaire besluit) de WIA-uitkering van werknemer per
14 april 2024 (na de uitlooptermijn van twee maanden) beëindigd.
1.3.
Werkgeefster heeft hier bezwaar tegen gemaakt, omdat het Uwv volgens haar eerder had moeten beoordelen of de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer minder dan 35% was. Het Uwv heeft dit bezwaar in een besluit van 29 oktober 2024 (het betreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in een besluit van
12 februari 2025 wel beslist dat de WGA-uitkeringslasten vanaf 24 januari 2023 (twee maanden na de aanvraag tot herbeoordeling) niet meer voor rekening komen van werkgeefster.
1.4.
Werkgeefster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij stelt zich op het standpunt dat het Uwv ten onrechte niet heeft beoordeeld of werknemer al eerder dan het herbeoordelingsmoment in november 2022 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, zodat de uitkeringslasten mogelijk al eerder niet meer voor haar rekening zouden moeten komen.
1.5.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2025. Werkgeefster en het Uwv hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Geheimhouding
2. Werknemer heeft geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan werkgeefster te verstrekken. De rechtbank zal daarom de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken om te voorkomen dat deze gegevens via deze uitspraak alsnog openbaar worden.
Het geschil
3. Werkgeefster bestrijdt niet de inhoudelijke beslissing of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit maar de motivering hiervan. Werkgeefster wil met het beroep bereiken dat het Uwv opnieuw beoordeelt of werknemer eerder dan 23 november 2022 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het procesbelang van werkgeefster is erin gelegen dat, als wordt vastgesteld dat werknemer al eerder 35% arbeidsongeschikt was, de
WGA-uitkeringslasten al eerder dan 24 januari 2023 niet meer voor rekening van werkgeefster hadden moeten komen. In een situatie waarin te lang een WIA-uitkering is verstrekt, kan sprake zijn van onrechtmatig handelen en schadeplichtigheid van het Uwv jegens werkgeefster. Werkgeefster zal indien hiervan sprake blijkt te zijn, het Uwv om een schadevergoeding vragen.
Heeft het Uwv ten onrechte niet eerder een herbeoordeling uitgevoerd?
4. Werkgeefster voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het onderzoek ten onrechte heeft beperkt tot de dag waarop de aanvraag van de herbeoordeling door het Uwv is ontvangen. Het Uwv had ook moeten onderzoeken of de belastbaarheid van werknemer is gewijzigd tussen 9 september 2013 (het laatste verzekeringsgeneeskundige onderzoek), althans 3 juni 2015 (de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid) en 23 november 2022 (het verzoek om herbeoordeling).
5. De rechtbank volgt werkgeefster hierin niet. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB [1] bestaat er voor het Uwv geen wettelijke verplichting om tot herbeoordeling over te gaan. Het niet eerder uitvoeren van een herbeoordeling door het Uwv kan daarom niet worden aangemerkt als een gebrek in het bestreden besluit. De rechtbank is het met het Uwv eens dat werkgeefster ook zelf eerder om een herbeoordeling van de
WIA-uitkering van werknemer had kunnen vragen. Dat heeft zij echter niet gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Had het Uwv bij de herbeoordeling moeten onderzoeken of werknemer al eerder minder dan 35% arbeidsongeschikt was?
6. Werkgeefster voert verder aan dat het Uwv bij de herbeoordeling die is uitgevoerd, niet alleen de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer per de datum van de aanvraag herbeoordeling (23 november 2022) had moeten beoordelen, maar ook had moeten nagaan of hiervan al vanaf een eerdere datum sprake was. Omdat het Uwv dit niet heeft gedaan, heeft het Uwv niet gedaan wat mogelijk en redelijkerwijs noodzakelijk was om de nadelige gevolgen van het besluit voor werkgeefster te voorkomen of ongedaan te maken. Werkgeefster vindt dat het Uwv ook rekening met de belangen van werkgevers moet houden en ervoor moet zorgen dat werknemers niet langer dan noodzakelijk een WIA-uitkering ontvangen. In een situatie waarin te lang een WIA-uitkering is verstrekt, kan sprake zijn van onrechtmatig handelen en schadeplichtigheid van het Uwv jegens werkgeefster, zo stelt zij. Werkgeefster bepleit dit met het oog op een eventueel verzoek om schadevergoeding aan het Uwv en verwijst hierbij naar een uitspraak van de CRvB van 14 december 2016. [2]
7. Het Uwv heeft op de zitting toegelicht dat het Uwv niet heeft onderzocht of werknemer al vanaf een eerder moment dan 23 november 2022 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Verder heeft het Uwv, onder verwijzing naar uitspaak van de CRvB van
25 juli 2019 [3] , toegelicht dat het ook niet de handelwijze van het Uwv is om dit te onderzoeken.
8. De beroepsgrond slaagt niet. Zoals eerder overwogen, rust op het Uwv geen wettelijke plicht om tot herbeoordeling van een WIA-uitkering over te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank was het Uwv in het verlengde daarvan ook niet verplicht om vast te stellen of per een eerdere datum dan de aanvraag tot herbeoordeling sprake was van een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35% bij werknemer.
9. De situatie in deze zaak is anders dan het geval genoemd in de uitspraak van de CRvB van 14 december 2016 [4] waar werkgeefster naar verwijst. In de zaak waar die uitspraak op zag werd de werkgever namelijk eerst achteraf geconfronteerd met een uitkeringslast in het kader van de Ziektewet die gevolgen had voor de door de werkgever te betalen premie. Dat is in deze zaak anders. In dit geval was werkgeefster al bekend met de WIA-uitkering van werknemer ten tijde van de toekenning in 2013 en wijziging van die uitkering in 2015. Van deze besluiten zijn immers afschriften aan werkgeefster verstrekt. Indien de werkgeefster had willen bewerkstelligen dat het Uwv van de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer per een eerdere datum had beoordeeld dan het Uwv heeft gedaan, had het op haar weg gelegen om het Uwv ook eerder om een herbeoordeling te vragen. Dat heeft zij echter niet gedaan. Het Uwv heeft dan ook terecht de mate van arbeidsongeschiktheid beoordeeld naar de datum waarop de aanvraag om herbeoordeling daadwerkelijk door de werkgeefster is gedaan, dus per
23 november 2022.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de werknemer per 23 november 2022 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het Uwv was niet verplicht om te onderzoeken of het arbeidsongeschiktheidspercentage van werknemer al op enig eerder moment minder dan 35% betrof. Werkgeefster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr.J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1805.
2.Zie uitspraak van de CRvB van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4860.
3.Zie uitspraak van de CRvB van 25 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2485.
4.Zie uitspraak van de CRvB van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4860.