ECLI:NL:RBMNE:2026:651

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/6699
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op WIA-herbeoordelingsverzoek

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat dit niet tijdig heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een persoon op grond van de WIA. De rechtbank oordeelt dat verweerder in gebreke is gebleven door niet binnen de wettelijke termijn te beslissen.

De rechtbank stelt vast dat eiseres haar aanvraag op 22 mei 2022 heeft ingediend en dat verweerder de ingebrekestelling op 31 juli 2025 heeft ontvangen. Sindsdien zijn twee weken verstreken zonder dat een besluit is genomen. Gezien het tekort aan verzekeringsartsen en de omstandigheden acht de rechtbank een beslistermijn van vier maanden redelijk.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen vier maanden alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en het griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen vier maanden alsnog te beslissen met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6699

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: L. Blahowetz),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de heer/mevrouw
[A] op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar aanvraag om herbeoordeling ingediend op 22 mei 2022.
Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van
30 december 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op
31 juli 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan
verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. [2] Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

7. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiseres.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten
die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan
eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).