Verzoekster trad in september 2021 in dienst bij verweerder, een kinderopvangorganisatie. Na een eerste ontslag op staande voet in maart 2025, dat door de rechtbank werd vernietigd wegens het ontbreken van onverwijldheid, werd verzoekster opnieuw op staande voet ontslagen in augustus 2025 op vrijwel dezelfde gronden.
De kantonrechter oordeelt dat ook het tweede ontslag niet onverwijld is gegeven en daarmee niet rechtsgeldig is. De vermeende dringende redenen waren grotendeels al bekend bij verweerder en het ontslag vond pas na een lange periode plaats zonder diepgaand onderzoek. Verzoekster krijgt een billijke vergoeding van €1.000 netto toegekend wegens het ernstig verwijtbaar handelen van verweerder.
Daarnaast worden de werkelijke proceskosten van verzoekster vergoed, omdat verweerder misbruik van procesrecht heeft gemaakt door een ongegrond tweede ontslag te geven. Verweerder wordt veroordeeld tot het versturen van een rectificatiebericht, met een dwangsom bij niet-nakoming. De meeste tegenverzoeken van verweerder worden afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid of gebrek aan grondslag.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een veroordeling tot betaling van een bedrag van €516,99 door verzoekster aan verweerder voor CAK-kosten. De procedure benadrukt het belang van onverwijldheid bij ontslag op staande voet en het voorkomen van onnodige juridische procedures.