ECLI:NL:RBMNE:2026:757
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde appartement en toewijzing proceskostenvergoeding
Eiser betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement, oorspronkelijk vastgesteld op €405.000 voor het belastingjaar 2023. Na bezwaar en een nadere taxatie stelde de heffingsambtenaar een schikkingsvoorstel voor een waarde van €390.000, dat eiser niet accepteerde en een lagere waarde van €357.000 vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde niet langer handhaafde en het beroep gegrond was. De taxatiematrix met vier vergelijkbare referentiewoningen maakte aannemelijk dat de voorgestelde waarde van €390.000 niet te hoog was. De stellingen van eiser over onvoldoende rekening houden met verschillen en onjuiste berekening van inhoud werden verworpen wegens gebrek aan onderbouwing.
Eiser stelde dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 8:42 Awb Pro geen iWOZ-kaarten en bouwtekeningen van referentiewoningen had overgelegd, maar de rechtbank oordeelde dat deze stukken niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren, tenzij bouwtekeningen gebruikt zijn voor waardebepaling, wat hier niet het geval was.
De rechtbank wees het beroep toe, vernietigde de uitspraak op bezwaar, stelde de WOZ-waarde vast op €390.000 en bepaalde dat de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing dienovereenkomstig wordt verminderd. Tevens werd eiser het griffierecht en proceskosten van in totaal €1.799 toegekend, waarbij toepassing van artikel 30a Wet WOZ en het Besluit proceskosten bestuursrecht werden besproken.
Uitkomst: De rechtbank stelt de WOZ-waarde vast op €390.000 en wijst proceskostenvergoeding toe aan eiser.