Verzoekster diende op 21 augustus 2025 een handhavingsverzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Almere. Nadat verweerder niet tijdig op dit verzoek had beslist, stelde verzoekster hem op 17 oktober 2025 in gebreke en stelde vervolgens op 6 november 2025 beroep in tegen het uitblijven van een beslissing.
Verweerder nam op 2 december 2025 alsnog een besluit op het handhavingsverzoek en de ingebrekestelling, waarmee hij voldeed aan het verzoek van verzoekster. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht zij om vergoeding van haar proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de proceskosten aan verzoekster moet vergoeden, waarbij een bedrag van € 467,- werd vastgesteld op basis van een wegingsfactor van 0,5 voor het indienen van het beroepschrift. Daarnaast is verweerder verplicht het griffierecht van € 194,- te vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 11 maart 2026.