ECLI:NL:RBMNE:2026:784

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/6393
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen handhavingsverzoek

Verzoekster diende op 21 augustus 2025 een handhavingsverzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Almere. Nadat verweerder niet tijdig op dit verzoek had beslist, stelde verzoekster hem op 17 oktober 2025 in gebreke en stelde vervolgens op 6 november 2025 beroep in tegen het uitblijven van een beslissing.

Verweerder nam op 2 december 2025 alsnog een besluit op het handhavingsverzoek en de ingebrekestelling, waarmee hij voldeed aan het verzoek van verzoekster. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht zij om vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat verweerder de proceskosten aan verzoekster moet vergoeden, waarbij een bedrag van € 467,- werd vastgesteld op basis van een wegingsfactor van 0,5 voor het indienen van het beroepschrift. Daarnaast is verweerder verplicht het griffierecht van € 194,- te vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 11 maart 2026.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6393

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.M. Verberne),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Op 21 augustus 2025 heeft verzoekster een verzoek om handhaving bij verweerder ingediend. Verzoekster heeft verweerder op 17 oktober 2025 in gebreke gesteld. Op 6 november 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om handhaving door verweerder. Verweerder heeft op 2 december 2025 alsnog een besluit genomen op het handhavingsverzoek van verzoekster en een besluit genomen op de ingebrekestelling. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft op 17 januari 2026 gereageerd op het verzoek van verzoekster en aangegeven dat hij een bedrag van € 226,75 (€ 907,- voor het indienen van een beroepschrift, met een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht)) aan proceskosten aan verzoekster wil betalen.
5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak een beroep wegens niet tijdig beslissen betreft en de zaak nu enkel gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast. [1]
6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.