ECLI:NL:RBMNE:2026:986

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
11902959 \ LC EXPL 25-1998
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WvkArt. 18 WvkArt. 139 RvArt. 140 lid 3 RvArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid uitgetreden vennoot voor huurkoopovereenkomst en schadevergoeding

In deze zaak vordert eiseres, een B.V., van de voormalige vennoten van een vennootschap onder firma (vof) betaling van achterstallige leasetermijnen, schadevergoeding, rente en kosten uit hoofde van een huurkoopovereenkomst voor een auto.

De kantonrechter stelt vast dat de huurkoopovereenkomst is gesloten met de vof, waarbij beide vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen, ook na uittreding van een vennoot. De uitgetreden vennoot kan zich niet onttrekken aan haar verplichtingen, ook niet op grond van redelijkheid en billijkheid, ondanks omstandigheden zoals de arrestatie van de andere vennoot.

De overeenkomst is ontbonden wegens wanbetaling en de auto is ingenomen. De kantonrechter wijst de vorderingen toe, inclusief schadevergoeding gelijk aan de resterende leasetermijnen, contractuele rente, takelkosten en buitengerechtelijke incassokosten, verminderd met de verkoopopbrengst van de auto. Beide vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het totaalbedrag en proceskosten.

Uitkomst: Beide vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €4.508,24 plus rente en proceskosten wegens niet-nakoming van de huurkoopovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11902959 \ LC EXPL 25-1998
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V. M.H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: P. Bekedam, werkzaam bij VD&P juristen,
tegen
1.
[gedaagde sub 1], voormalig vennoot van de opgeheven vennootschap onder firma
[bedrijfsnaam 1],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
procederend in persoon,
2.
[gedaagde sub 2], voormalig vennoot van de opgeheven vennootschap onder firma
[bedrijfsnaam 1],
te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 september 2025 met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de akte van [eiseres] met producties 6 en 7;
- de akte van [gedaagde sub 1] met een productie;
- de mondelinge behandeling van 4 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de ter mondelinge behandeling door [eiseres] ingediende akte wijziging van eis.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] is met de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 1] een huurkoopovereenkomst (financial lease) voor een auto aangegaan. [bedrijfsnaam 1] een betalingsachterstand laten ontstaan in de leasetermijnen. [eiseres] heeft de overeenkomst daarom ontbonden en de auto ingenomen. In deze zaak vordert [eiseres] van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , de (voormalige) vennoten van [bedrijfsnaam 1] , een schadevergoeding, rente en kosten. [gedaagde sub 2] is niet verschenen. [gedaagde sub 1] is het met de vorderingen deels niet eens. De kantonrechter zal de meeste vorderingen toewijzen.

3.De beoordeling

De provisionele vorderingen zijn ingetrokken
3.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] de provisionele vorderingen ingetrokken, zodat daarop niet hoeft te worden beslist.
Dit vonnis geldt als vonnis op tegenspraak
3.2.
Tegen [gedaagde sub 2] is verstek verleend. [gedaagde sub 1] is wel verschenen. Voor dat geval is in artikel 140 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaald dat er één vonnis wordt gewezen en dat dit vonnis als een vonnis op tegenspraak moet worden beschouwd, ook ten aanzien van de niet verschenen partij ( [gedaagde sub 2] ).
De vorderingen tegen [gedaagde sub 2] worden toegewezen
3.3.
Omdat tegen [gedaagde sub 2] verstek is verleend, moet de kantonrechter de vorderingen tegen hem toewijzen, tenzij de vorderingen haar onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 Rv Pro). Van dat laatste is geen sprake, zodat de vorderingen tegen [gedaagde sub 2] volledig worden toegewezen, met uitzondering van een deel van de inname- en takelkosten die [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd en een deel van de incassokosten die worden gematigd. Dit volgt uit het onderstaande.
3.4.
[gedaagde sub 1] heeft verweer gevoerd. Ten aanzien van haar wordt het volgende overwogen.
[gedaagde sub 1] is persoonlijk aansprakelijk voor de nakoming van de huurkoopovereenkomst
3.5.
Op 16 maart 2023 heeft [eiseres] een huurkoopovereenkomst (financial lease) gesloten met de vennootschap onder firma (hierna: vof) [bedrijfsnaam 1] . De overeenkomst ziet op een Citroën C4 met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de vennoten van deze vof.
3.6.
[gedaagde sub 1] stelt dat de huurkoopovereenkomst alleen door [gedaagde sub 2] is ondertekend, niet door haar, en dat zij daarom niet kan worden aangesproken. Dit verweer slaagt niet. Uit artikel 17 lid 1 van Pro het Wetboek van Koophandel (Wvk) volgt dat elke vennoot, die daarvan niet is uitgesloten, bevoegd is om namens de vennootschap met derden overeenkomsten aan te gaan. [gedaagde sub 1] heeft niet gesteld dat [gedaagde sub 2] in afwijking van deze hoofdregel niet bevoegd was de vof te vertegenwoordigen. Uit het door [eiseres] overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt ook dat [gedaagde sub 2] onbeperkt bevoegd was. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] bevoegd was om namens de vof de huurkoopovereenkomst aan te gaan. De handtekening van [gedaagde sub 1] was daarvoor niet nodig.
3.7.
In artikel 18 Wvk Pro staat dat een vennoot hoofdelijk verbonden is voor de verbintenissen van de vennootschap onder firma. Dit betekent dat de verbintenissen ook op de vennoten persoonlijk rusten, dus ook op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op 16 maart 2023 waren zij vennoot. Daarom zijn zij naast de vof aansprakelijk voor de nakoming van de overeenkomst, en ook voor de tekortkomingen daarin. Dit betekent dat [eiseres] zich ook kan verhalen op de privévermogens van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] .
3.8.
Ook wanneer een vennoot is uitgetreden, blijft hij of zij hoofdelijk aansprakelijk en kan hij of zij op betaling worden aangesproken voor de voor het uittreden aangegane verbintenissen. Een persoonlijk aansprakelijke vennoot kan zich niet eenzijdig aan zijn of haar verplichtingen onttrekken door uit de vof te treden. Dat [gedaagde sub 1] op 1 januari 2025 is uitgetreden als vennoot, zoals zij aanvoert, betekent dus niet dat zij daarom niet meer aansprakelijk is.
3.9.
De uitgetreden vennoot blijft in beginsel ook aansprakelijk voor verplichtingen uit een op het moment van uittreden bestaande duurovereenkomst, die pas opeisbaar zijn geworden nadat de vennoot is uitgetreden. [1] Daar is in deze zaak sprake van. [eiseres] vordert namelijk betaling van bedragen die ná de uittreding van [gedaagde sub 1] opeisbaar zijn geworden op grond van een daarvoor gesloten duurovereenkomst.
3.10.
Uit de literatuur en jurisprudentie volgt dat de redelijkheid en billijkheid zich onder omstandigheden kunnen verzetten tegen het uitgangspunt dat de uittredende vennoot aansprakelijk blijft voor schulden uit een duurovereenkomst die opeisbaar zijn geworden na het uittreden van een vennoot. [2] De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde sub 1] hier een beroep op doet. Bij de beantwoording van deze vraag moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat de andere vennoot, [gedaagde sub 2] , in april 2025 is gearresteerd en hij toen is opgehouden met het betalen van de leasetermijnen. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter echter onvoldoende om tot de conclusie te komen dat het strijdig is met de redelijkheid en billijkheid om [gedaagde sub 1] aansprakelijk te houden voor de daardoor ontstane schulden. [gedaagde sub 1] is tijdens de looptijd van de overeenkomst uitgetreden en de overeenkomst is na haar uittreding ongewijzigd gebleven. Niet valt in te zien waarom [gedaagde sub 1] door de arrestatie van [gedaagde sub 2] niet meer gehouden zou zijn om de betalingen te doen. Dat [gedaagde sub 1] daarvoor te weinig geld had, valt te begrijpen, maar dit ontslaat haar niet van haar aansprakelijkheid. [eiseres] was ook niet verplicht om (op verzoek van [gedaagde sub 1] ) de huurkoopovereenkomst op haar naam te zetten en de leasetermijnen aan te passen. De kantonrechter weegt ook mee dat [gedaagde sub 1] [eiseres] niet heeft geïnformeerd over haar uittreden. Dit had wel op haar weg gelegen. Van een partij bij een duurovereenkomst zoals [eiseres] mag niet worden verwacht dat zij zonder aanleiding regelmatig het handelsregister raadpleegt om te bekijken of een vennoot is uitgetreden. Dat [gedaagde sub 1] dit niet wist, omdat zij voor het eerst een bedrijf was gestart, begrijpt de kantonrechter, maar dat maakt het oordeel niet anders.
3.11.
De conclusie is dat [gedaagde sub 1] persoonlijk aansprakelijk is voor de verplichtingen uit de overeenkomst die de vof met [eiseres] heeft gesloten, ook voor de verplichtingen die na de uittreding van [gedaagde sub 1] opeisbaar zijn geworden. Dit geldt ook voor [gedaagde sub 2] .
De huurkoopovereenkomst is ontbonden
3.12.
Volgens [eiseres] is de vof tekortgeschoten in de nakoming van de huurkoopovereenkomst, omdat ondanks sommaties de maandelijkse leasetermijnen niet (tijdig) aan [eiseres] zijn betaald. Zij is daarmee ook in verzuim geraakt. Vervolgens heeft [eiseres] bij brief van 8 augustus 2025 de overeenkomst beëindigd (de kantonrechter begrijpt: ontbonden).
3.13.
[gedaagde sub 1] heeft dit alles niet betwist. Dit betekent dat de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht dat de huurkoopovereenkomst is ontbonden kan worden toegewezen.
[gedaagde sub 1] moet een schadevergoeding betalen
3.14.
Op grond van artikel 43 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden is [eiseres] bij ontbinding van de overeenkomst bevoegd de auto in te nemen en moet de vof (en daarmee dus ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) een schadevergoeding aan [eiseres] betalen. Deze schadevergoeding is gelijk aan het bedrag van het totaal van alle leasetermijnen die zouden moeten worden betaald als de huurkoopovereenkomst in stand zou zijn gebleven.
3.15.
[eiseres] vordert betaling van deze schadevergoeding. De achterstallige en toekomstige leasetermijnen tot het einde van de huurkoopovereenkomst bedragen volgens [eiseres] € 7.787,38. Dit heeft [gedaagde sub 1] niet betwist, zodat de kantonrechter van dit bedrag uitgaat. Dit bedrag wordt hieronder nog vermeerderd met rente en kosten en verminderd met de verkoopopbrengst van de auto.
[gedaagde sub 1] moet rente betalen
3.16.
[eiseres] vordert ook € 98,49 aan verschenen contractuele rente tot en met 3 september 2025 en de contractuele rente van 1,5% per maand over € 7.787,38 vanaf 3 (de kantonrechter begrijpt: vanaf 4) september 2025. Op grond van artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden moet deze rente betaald worden als enig bedrag dat op grond van de overeenkomst en/of de algemene voorwaarden is verschuldigd niet op tijd wordt betaald. De verplichting tot betaling van de schadevergoeding volgt uit de overeenkomst en de algemene voorwaarden en daarom moet over de schadevergoeding contractuele rente worden betaald. [gedaagde sub 1] heeft hier geen verweer tegen gevoerd. Deze vordering is daarom toewijsbaar.
[gedaagde sub 1] moet takelkosten betalen
3.17.
[eiseres] vordert verder € 1.104,73 aan inname- en takelkosten. Dit zijn de kosten die zij heeft gemaakt om de leaseauto in te nemen en af te slepen.
3.18.
[gedaagde sub 1] maakt bezwaar tegen deze kosten. Zij stelt dat zij de auto niet kon inleveren, omdat deze in bezit was bij [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] zat een gevangenisstraf uit, dus hij kon de auto ook niet inleveren. [gedaagde sub 1] stelt dat zij meermaals bij [eiseres] heeft aangegeven waar de auto stond.
3.19.
De kantonrechter overweegt het volgende. Bij brief van 8 augustus 2025 heeft [eiseres] de overeenkomst ontbonden. Op dat moment had [eiseres] op grond van artikel 43 van Pro de algemene voorwaarden het recht de auto in te nemen. Als [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] de auto niet zelf inleveren, dan heeft [eiseres] op grond van dit artikel ook het recht om de innamekosten bij hen in rekening te brengen.
3.20.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] bij [eiseres] heeft aangegeven dat de auto bij het politiebureau in [plaats 2] stond. [eiseres] heeft daarop contact opgenomen met de politie, waarbij bleek dat de auto niet in beslag was genomen en de auto ook niet op het terrein van de politie stond. [eiseres] heeft daarna meermaals aan [gedaagde sub 1] gevraagd waar de auto dan wel stond, maar zij wist dit niet en ook [gedaagde sub 2] heeft aangegeven dit niet te weten. Uiteindelijk heeft [eiseres] de auto op 20 november 2025 zelf aangetroffen op een openbare parkeerplaats bij het politiebureau. De enige conclusie die hieruit kan worden getrokken, is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de auto niet zelf bij [eiseres] hebben ingeleverd en dat [eiseres] een sleepbedrijf heeft moeten inschakelen om de auto in te nemen. De kosten daarvan komen op grond van de algemene voorwaarden voor rekening van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet wisten waar de auto stond, maakt dat niet anders. Het is namelijk hun eigen verantwoordelijkheid om de auto in te leveren en daarmee afsleepkosten te voorkomen. [gedaagde sub 1] had bijvoorbeeld ook zelf bij het politiebureau kunnen kijken of de auto zich daar bevond.
3.21.
De inname- en takelkosten van € 1.104,73 zijn ter zitting door [eiseres] toegelicht en bestaan voor € 458,00 aan takelkosten die door het bedrijf [bedrijfsnaam 2] aan [eiseres] in rekening zijn gebracht. Hiervan is een factuur overgelegd, zodat deze kosten toewijsbaar zijn. Het restant bestaat volgens [eiseres] uit kosten voor het begeleiden van de inname. Deze kosten zijn op geen enkele wijze onderbouwd en worden daarom afgewezen.
3.22.
De conclusie is dat [gedaagde sub 1] € 458,00 aan takelkosten moet betalen. De vordering onder e heeft [eiseres] ter zitting ingetrokken omdat de inname- en takelkosten al bij het gevorderde bedrag zijn opgeteld.
[gedaagde sub 1] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.23.
[eiseres] vordert € 778,74 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). In deze zaak zijn partijen – beide partijen daarbij handelend in de uitoefening van beroep of bedrijf – in artikel 53 van Pro de algemene voorwaarden echter een vergoeding voor buitengerechtelijke (incasso)kosten overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt, namelijk 10% van de nog niet betaalde verschenen en nog niet verschenen leasetermijnen. De door [eiseres] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten komt op grond van deze bepaling in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In dit geval ziet de kantonrechter echter aanleiding om de vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Rv Pro ambtshalve te matigen tot het toepasselijke tarief van het Besluit, welk tarief wordt geacht redelijk te zijn, omdat niet gesteld of gebleken is dat de werkelijke kosten van [eiseres] hoger zijn dan dit tarief. De kantonrechter verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1868 (r.o. 3.5.3 en 3.5.7). De kantonrechter zal de buitengerechtelijke (incasso)kosten dan ook toewijzen over de hoofdsom vóór aftrek van de verkoopopbrengst van de auto van € 7.787,38 en wel tot het wettelijke tarief, zodat een bedrag van € 764,37 wordt toegewezen
De verkoopopbrengst van de auto wordt in mindering gebracht.
3.24.
De auto is inmiddels op een veiling door [eiseres] verkocht. [gedaagde sub 1] heeft niet betwist dat de auto daarbij € 4.600,00 heeft opgeleverd. Deze verkoopopbrengst moet op de hiervoor genoemde bedragen in mindering worden gebracht. De vordering onder c heeft [eiseres] ter zitting ingetrokken omdat de verkoopopbrengst al op het toewijsbare bedrag in mindering wordt gebracht.
Conclusie: [gedaagde sub 1] moet € 4.508,24 + rente betalen
3.25.
De conclusie is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] € 4.508,24 aan [eiseres] moeten betalen (€ 7.787,38 + € 98,49 + € 458,00 + € 764,37 - € 4.600,00).
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten betalen
3.26.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde sub 1] vindt dat zij niet aansprakelijk is voor de proceskosten, omdat zij de overeenkomst op haar naam wilde zetten en zij tijdig heeft aangegeven waar de auto stond. De kantonrechter volgt dit verweer niet. Hiervoor is geoordeeld dat [eiseres] niet hoefde mee te werken aan het overzetten van de overeenkomst en dat [eiseres] de auto uiteindelijk zelf heeft gevonden. Bovendien heeft [gedaagde sub 1] ten onrechte de schadevergoeding, rente en overige kosten niet betaald, zodat [eiseres] daarvoor terecht een dagvaardingsprocedure is gestart. De kosten daarvan komen voor haar rekening (en voor rekening van [gedaagde sub 2] ). De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
247,26
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
360,00
(1 punt × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.294,26
3.27.
Ten aanzien van [gedaagde sub 1] geldt dat zij nog een extra bedrag van € 360,00 aan salaris gemachtigde aan [eiseres] moet betalen in verband met de mondelinge behandeling. Voor [gedaagde sub 2] geldt dit niet, omdat hij geen verweer heeft gevoerd en het salaris gemachtigde in verband met de mondelinge behandeling daarom niet voor zijn rekening komt.
3.28.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken
3.29.
De veroordeling wordt (grotendeels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot de Citroën C4 Picasso met kenteken [kenteken] is ontbonden;
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van
€ 4.508,24, te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand over € 7.787,38 vanaf 4 september 2025 tot de voldoening, waarbij rekening moet worden gehouden met tussentijdse betalingen en met de vermindering in verband met de verkoopopbrengst van de auto per 10 december 2025;
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.294,26, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de aanvullende proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.6.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over deze aanvullende proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
45353

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 18 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:854.
2.Hof Arnhem-Leeuwarden 18 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:854.