Verdachte werd vervolgd voor het rijden onder invloed van alcohol op 2 februari 2013. Hij ontkende daadwerkelijk te hebben gereden en stelde slechts zijn auto te hebben geduwd naar zijn garage. De verbalisanten verklaarden echter op ambtseed dat zij hadden gezien dat verdachte had gereden, hoewel verdachte en zijn raadsman de waarnemingen betwistten en foto’s overlegden ter onderbouwing.
De officier van justitie vorderde vervolging, maar hield rekening met de reeds door verdachte gemaakte kosten voor een cursus en het alcoholslotprogramma. De verdediging voerde aan dat het duwen van de auto niet als rijden in de zin van de Wegenverkeerswet kan worden aangemerkt en verzocht om vrijspraak.
De politierechter oordeelde dat het CBR al vergaande maatregelen had opgelegd zonder dat een strafrechter de zaak inhoudelijk had beoordeeld. Hierdoor werd de beslissingsvrijheid van de strafrechter dermate beperkt dat een redelijke en billijke strafrechtstoepassing niet mogelijk was. Daarom verklaarde de politierechter het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.
De politierechter wees erop dat verdachte door twee overheidsinstanties tegelijk werd bejegend en dat het CBR de vrijheid van de strafrechter om tot een behoorlijke afdoening te komen belemmerde. Het OM kreeg de mogelijkheid om binnen veertien dagen hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof Amsterdam.
Deze uitspraak benadrukt de spanningsvelden tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures bij alcoholgerelateerde verkeersovertredingen en de gevolgen voor de rechtspositie van de verdachte.