Eiser ontving een WW-uitkering en werkte tussen 3 december 2012 en 17 februari 2013 zonder dit aan het UWV te melden. Verweerder legde een boete van 3.042,99 euro op wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiser voerde aan dat hij telefonisch had gemeld en dat het nieuwe boeteregime niet met terugwerkende kracht mocht worden toegepast.
De rechtbank stelde vast dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat het niet melden van werkzaamheden een ernstige overtreding is. De rechtbank oordeelde echter dat de boete van 100% van het benadelingsbedrag niet kon worden gehandhaafd vanwege het overgangsrecht en het legaliteitsbeginsel, omdat een deel van de overtreding plaatsvond vóór 1 januari 2013.
De rechtbank matigde de boete tot 10% van het benadelingsbedrag voor de periode tot 31 december 2012 en 100% voor de periode daarna, wat resulteerde in een boete van 500 euro. Hierbij werd rekening gehouden met verminderde verwijtbaarheid door slechte digitale bereikbaarheid van verweerder en persoonlijke omstandigheden van eiser.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.