Na een brand in het pand van eiser is asbest vrijgekomen, waarop verweerder spoedeisende bestuursdwang toepaste om sanering te laten uitvoeren. Twee besluiten betroffen de toepassing van bestuursdwang op 24 en 29 januari 2014. De rechtbank oordeelt dat de toepassing van bestuursdwang op 24 januari 2014 gerechtvaardigd was vanwege de acute milieugevaarlijke situatie en het ontbreken van een mogelijkheid voor eiser om zelf maatregelen te nemen.
De toepassing van bestuursdwang op 29 januari 2014 is echter onvoldoende gemotiveerd en niet spoedeisend, mede omdat er voldoende tijd was om eiser te betrekken bij de sanering en de werkzaamheden tot acht weken na de brand plaatsvonden. Daarom vernietigt de rechtbank het besluit voor zover dit betrekking heeft op de tweede toepassing van bestuursdwang.
Verder oordeelt de rechtbank dat de kosten van de bestuursdwang van 24 januari terecht op eiser worden verhaald, omdat hem de situatie kan worden verweten en geen bijzondere omstandigheden tot uitzondering leiden. De kosten van de bestuursdwang van 29 januari mogen niet op eiser worden verhaald. Verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen en het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiser te vergoeden.