Uitspraak
200300168/1(AB 2003, 388), heeft de Afdeling overwogen, kort weergegeven, dat indien een inrichting in werking is overeenkomstig de daarvoor geldende vergunning krachtens de Wm, de omstandigheid dat vergunde activiteiten, naar actueel inzicht van het bevoegd gezag, zeer nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, dit niet reeds een schending van artikel 1.1a Wm oplevert, maar dat de voor die inrichting verleende milieuvergunning bepalend moet worden geacht voor de reikwijdte van de zorgplicht die een drijver bij de exploitatie van een inrichting in acht heeft te nemen. Gelet daarop en op de strekking van die zorgplichtbepaling, gaat de Afdeling er vanuit dat van overtreding van die zorgplicht in beginsel slechts sprake kan zijn in gevallen waarin ernstige nadelige gevolgen optreden of acuut dreigen op te treden, terwijl de Wm er niet op andere wijze in voorziet om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Overtreding van artikel 13 Wbb Pro beperkt zich tot situaties die onder de artikelen 6 tot en met 11 Wbb vallen. In het licht daarvan wordt hieronder beoordeeld of appellante heeft gehandeld in strijd met artikel 1.1a Wm of artikel 13 Wbb Pro. Daarbij gaat de Afdeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.