Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 februari 2015 in de zaak tussen
[X], wonende te [Z], eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Alkmaar, verweerder.
Procesverloop
€ 11 heffingsrente berekend.
Overwegingen
12 november 2005 hebben eiser en [A BEDRIJF] een overeenkomst van achtergestelde lening gesloten voor een reeds verstrekt bedrag van € 72.587. In de overeenkomst wordt als begindatum 30 juni 2005 genoemd. De rente bedraagt 5%. Volgens de grootboekkaarten is geen rente bijgeboekt of betaald. Volgens de grootboekkaarten is in 2007 € 53.204 afgelost. Van deze boeking zijn geen dagafschriften overgelegd. Op 27 december 2010 is de naam van [A BEDRIJF] gewijzigd in [B BEDRIJF] B.V.
€ 100.000 afgesloten bij [NAAM BANK 1]. De rente en kosten zijn begroot op € 40.000. Een deel van het bedrag, € 60.000, is na het verlijden van de akte aan eiser betaald. Eiser en zijn echtgenote hebben op 9 mei 2006 een doorlopend krediet afgesloten bij [NAAM BANK 2] voor een bedrag van € 31.500.
19 oktober 2011.
€ 1.408
€ 0
-vermogensbestanddelen of -schulden. De aangiften in/pvv voor 2006 en 2007 bevatten een aanmerkelijk belang in [A BEDRIJF]. De aangifte ib/pvv voor 2008 bevat geen aanmerkelijk belang.
27 december 2010 is de naam van deze vennootschap gewijzigd in [A BEDRIJF] B.V.
Geschil1. In geschil is of eiser uitstaande vorderingen op [C BEDRIJF] mag afwaarderen. Het geschil omvat de volgende aspecten:
€ 23.589
p.m.
€ 75.562 (€ 160.266 minus € 84.704) is ontstaan in de periode tussen 14 februari 2008 (verkrijging aandelen [C BEDRIJF]) en 14 oktober 2009 (de datum waarop [C BEDRIJF] failliet werd verklaard). Het betreft hier vooral gelden afkomstig van de verhoging van de hypotheek met € 40.000 in de periode februari/maart 2009 en het niet-ontvangen loon in de periode januari tot en met september 2009. De vordering op [C BEDRIJF] is derhalve vooral toegenomen vlak vóór de faillietverklaring in oktober 2009. Eiser heeft niet doen blijken dat de toename van de vordering als zakelijk kan worden beschouwd. Concrete gegevens over de financiële positie van [C BEDRIJF] ontbreken, zodat niet kan worden vastgesteld of een derde, zo kort voor het faillissement, bereid zou zijn geweest de risico’s te aanvaarden, eventueel tegen een hogere rente. Een faillissement pleegt zich immers niet acuut te manifesteren. In dit verband weegt de rechtbank ook mee dat de voor de hand liggende verhaalsmogelijkheden (debiteuren en inventaris) al aan [NAAM BANK 3] waren verpand. Eiser heeft niet doen blijken dat [C BEDRIJF] een derde voldoende zekerheden had kunnen bieden. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de toename van de vordering op [C BEDRIJF] van € 75.562 als onzakelijk moet worden aangemerkt. In het jaar 2009 wordt dit bedrag als verlies in box 2 opgenomen, aangezien [C BEDRIJF] in 2009 failliet is verklaard en definitief buiten staat is geraakt om de schuld aan eiser af te lossen. Het totale verlies in box 2 bedraagt alsdan € 85.572 (€ 10.010 plus € 75.562).
Beslissing
mr. J.P. Boer, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2015.