ECLI:NL:RBNHO:2015:7169
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Navorderingsaanslag dividendbelasting niet te goeder trouw directeur-grootaandeelhouder
De directeur-grootaandeelhouder (eiser) diende zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) 2007 in, waarin een voordeel uit aanmerkelijk belang en een bedrag aan ingehouden dividendbelasting van €37.500 was aangegeven. De vennootschap, waarvan eiser enig aandeelhouder en bestuurder is, had de dividendbelasting ingehouden maar niet afgedragen, wat als schuld op de balans stond.
De Belastingdienst legde een navorderingsaanslag op wegens onjuiste verrekening van de dividendbelasting met de verschuldigde ib/pvv. Eiser voerde aan dat hij te goeder trouw was en dat de navordering onterecht was, mede vanwege een vermeende gebrek aan voortvarendheid bij de Belastingdienst. Verweerder stelde dat eiser op de hoogte was van het niet-afdragen en dus niet te goeder trouw was.
De rechtbank oordeelde dat eiser als bestuurder de zorgvuldigheid had moeten betrachten om te controleren of de dividendbelasting was afgedragen. Door dit niet te doen en gezien de schuld op de balans, mocht eiser niet aannemen dat de vennootschap aan haar verplichting voldeed. Daarmee was geen sprake van geheven dividendbelasting in de zin van de wet en kon deze niet worden verrekend.
Ook het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel en de voortvarendheid van de Belastingdienst faalde, omdat de navordering binnen de wettelijke termijn was opgelegd en de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een minder voortvarende behandeling niet leidt tot verval van de navorderingsbevoegdheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de navorderingsaanslag.
Uitkomst: De navorderingsaanslag is terecht opgelegd omdat eiser niet te goeder trouw was omtrent de niet-afgedragen dividendbelasting.