Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 april 2016 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
2. Achtergrond verhuurderheffing
:
:
Rechtbank Noord-Holland
Eiser, eigenaar van 40 huurwoningen, maakte bezwaar tegen de verhuurderheffing over 2013 en stelde dat deze heffing het eigendomsrecht schendt, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat de WOZ-waarde ongeschikt is als grondslag. De rechtbank overweegt dat de verhuurderheffing een legitiem algemeen belang dient en binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever valt. De heffing is gebaseerd op toegankelijke en voorziene wetgeving met voldoende procedurele waarborgen.
De rechtbank oordeelt dat de wetgever de WOZ-waarde als objectieve en efficiënte maatstaf mag hanteren en dat het beroep van eiser onvoldoende aannemelijk maakt dat de heffing leidt tot een individuele buitensporige last. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat de wetgever een redelijke en objectieve rechtvaardiging heeft voor gelijke behandeling van particuliere verhuurders en woningcorporaties.
De rechtbank wijst erop dat de verhuurderheffing onderdeel is van een pakket maatregelen om de woningmarkt te verbeteren en een stabiele belastinggrondslag te creëren. De heffing is primair budgettair van aard en strookt met het rijksbeleid dat een stabiele gereguleerde huurmarkt nastreeft. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de verhuurderheffing wordt ongegrond verklaard; de heffing is niet in strijd met artikel 1 EP, het gelijkheidsbeginsel en de WOZ-waarde is een aanvaardbare grondslag.