Op 29 februari 2016 heeft de rechtbank Noord-Holland een beschikking gegeven inzake het bezwaarschrift van een jeugdige veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. De veroordeelde was onvoorwaardelijk veroordeeld voor medeplegen van straatroof en had zijn opgelegde taakstraf voltooid. De rechtbank overwoog dat het een eenmalig incident betrof, waarbij de veroordeelde spijt toonde en geen eerdere of latere strafbare feiten had gepleegd.
De officier van justitie stelde dat het DNA-profiel belangrijk kon zijn voor opsporing van soortgelijke delicten, terwijl de verdediging betoogde dat het DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor toekomstige opsporing en vervolging. De rechtbank oordeelde dat, gelet op de jeugdige leeftijd, blanco strafblad, positieve houding en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, het zeer onwaarschijnlijk is dat DNA-onderzoek van betekenis zal zijn voor toekomstige strafzaken.
De rechtbank concludeerde dat de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid, onder b, Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van toepassing is en verklaarde het bezwaarschrift gegrond. De officier van justitie werd bevolen het afgenomen celmateriaal terstond te vernietigen. De beschikking werd gegeven door kinderrechter J. van Beek.