Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2016 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
€ 126.842+
Rechtbank Noord-Holland
Eiser, directeur-grootaandeelhouder van Holding, stelde dat een deel van de kapitaalterugbetaling na kapitaalvermindering een terbeschikkingstellingsvordering (tbs-vordering) was die kon worden afgewaardeerd. Verweerder betwistte dit en stelde dat het bedrag informeel kapitaal was, dat geen civielrechtelijke lening bestond zonder schriftelijke overeenkomst, en dat sprake was van een bodemlozeputlening en onzakelijke lening.
De rechtbank oordeelde dat de kapitaalvermindering een terugbetalingsverplichting creëerde en dat het schuldig gebleven bedrag vreemd vermogen vormde. Verweerder kon het bestaan van een bodemlozeputlening niet aannemelijk maken, mede omdat eiser aannemelijke verwachtingen had over de verkoop van een dochtermaatschappij [D] en de ontwikkeling van [C]. Ook het standpunt van onzakelijkheid werd verworpen, omdat verweerder onvoldoende bewijs leverde dat een onafhankelijke derde de lening niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben verstrekt.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en verminderde de aanslag inkomstenbelasting 2009 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 42.996. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag inkomstenbelasting 2009 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 42.996.