Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2017 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- Stichting [A] (hierna: [A] ), van 1 januari tot en met 31 augustus, € 23.597;
- Stichting [B] (hierna: [B] ), van 1 januari tot en met
- Omzet buiten dienstbetrekking, € 1.247.
Zolang het normsalaris lager is dan het maximumsalaris behorende bij de functieschaal is salarisverhoging afhankelijk van de uitkomst van de jaarlijkse beoordeling cfm. art. H-3 CAO-HBO.
€ 925, loon van [B] voor een bedrag van € 51.487 en een negatief saldo eigen woning voor een bedrag van € 14.562. De aangegeven belastbare winst uit onderneming van € 925 bestaat uit de volgende bestanddelen: inkomsten van [A]
(€ 23.597), overige omzet (€ 1.247), kosten (€ 15.295), niet-aftrekbare kosten (€ 758), investeringsaftrek (€ 1.951), zelfstandigenaftrek (€ 7.280) en MKB-winstvrijstelling
(€ 151).
€ 4.289 voor zijn instrumenten en dat verweerder deze afschrijvingen niet heeft gehonoreerd. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de afschrijvingen voor een bedrag van € 4.289 alsnog kunnen worden gehonoreerd, ongeacht de beantwoording van de vraag of de inkomsten van de Hogeschool kwalificeren als winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Om deze reden is het beroep van eiser reeds gegrond en dient een verlies uit onderneming in aanmerking te worden genomen ten bedrage van € 4.289.
- Eiser had in zijn klas circa 10 studenten, waarvan hij besliste wie hij aannam.
- Hij hoefde hiervoor niet ter plekke te zijn, maar hij kon de werkzaamheden ook buiten de schooluren verrichten.
- Op de vraag in hoeverre zijn functie verschilt ten opzichte van andere docenten heeft eiser aangegeven dat voor iedere docent de werkzaamheden hetzelfde zijn. Eiser heeft aangegeven dat hij zelf bepaalde of hij een groepsles of individuele les gaf.
- Eiser nam een proef af. Op basis daarvan beoordeelde hij of een leerling het in zich had. Op de vraag wat er gebeurd bij een verkeerde inschatting, heeft eiser aangegeven dat sprake zou kunnen zijn van reputatieschade.
- Eiser heeft voorts af en toe iemand gevraagd om zijn lessen waar te nemen; hij heeft diegene hiervoor ook betaald. Ziekte was in het onderhavige jaar niet aan de orde.
- Eiser heeft een verantwoordelijkheid richting [A] , aangezien hoogleraren beoordelen of de studenten op niveau zijn. Dat is een teken van controle hoe het werk wordt uitgevoerd. In zoverre is er wel een gezagsverhouding.
- Als sprake is van ziekte, dan zal voor eiser een vervanger moeten worden geregeld.
De rechtsverhouding tussen eiser en de in 2013 met [A] gesloten arbeidsovereenkomst dient als dienstbetrekking te worden gekwalificeerd, aangezien sprake is van loon, arbeid en gezag. Immers, voor de werkzaamheden betreffende [A] is een overeenkomst gesloten die naar inhoud en strekking een dienstbetrekking behelst (zie hiervoor onder 2). Volgens de overeenkomst is eiser bij [A] werkzaam in de functie van senior docent. Uit de overeenkomst blijkt verder dat sprake is van een salaris op basis van een functieschaal, een opzegtermijn, een pensioenverzekering bij het ABP, een vakantietoeslag, alsmede toepasselijke cao-bepalingen. Nu de werkzaamheden tegen een vooraf overeengekomen vergoeding worden verricht, loopt eiser in zoverre geen ondernemersrisico. De tijdelijke aard van die overeenkomst maakt dat niet anders. Dat heeft ook te gelden voor het risico dat geen nieuwe overeenkomsten worden gesloten. Dit is geen risico dat voldoende is voor het aannemen van ondernemersrisico en hangt als zodanig niet samen met de arbeidsverhouding met [A] . De kans dat de werkgever de overeengekomen vergoeding niet (volledig) uitbetaalt leidt evenmin tot het aannemen van ondernemersrisico. De overige risico’s waarop eiser zich beroept, leiden niet tot een ander oordeel.
€ 3.689. Het in de aanslag in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit werk en woning (€ 60.522) zal moeten worden verminderd met een bedrag van € 3.689, tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.833. De beschikking belastingrente zal dienovereenkomstig moeten worden verminderd.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.833, vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.
mr. drs. K.M.E. de Moor, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
21 april 2017.