Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juni 2017 in de zaak tussen
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder,
de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, de Minister.
Procesverloop
Overwegingen
kwalitatieve en/of kwantitatieve beperkingen te stellen ten aanzien van
de Financiële instrumenten of categorieën van Financiële instrumenten waarin mag worden belegd.
opdracht van de Belegger, althans van [eiseres] die het Beheer voert, geen
beschikkingshandelingen dan wel enig ander aan de Financiële Instrumenten
verbonden recht uitoefenen, tenzij anders is overeengekomen. (…)(…)
[eiseres] verrichte beleggingsdienstverlening vergoedingen en kosten in rekening
brengen op basis van de bij [eiseres] geldende tarieven, zoals opgenomen in de
Mutatievoorwaarden en Tarieven.
[eiseres] haar facturen ter zake het op grond van dit artikel aan haar toekomende in
kopie toe zal zenden aan de Stichting en de Stichting de Beleggingsgirorekening
inclusiefde geldende omzetbelasting.
deelnemers”;
Geschil13.Tussen partijen is in geschil of eiseres ter zake van de vermogensbeheerdiensten omzetbelasting is verschuldigd.
9 december 2016, nr. 15/00148, (ECLI:NL:HR:2016:2786) volgt echter dat indien de Stichting en/of eiseres voor wat betreft het Product dezelfde kenmerken vertonen als een ICBE en dus in zoverre dezelfde handelingen verrichten, of de Stichting en/of eiseres op zijn minst zodanig vergelijkbaar zijn met ICBE’s dat ze in zoverre met dergelijke instellingen concurreren, de vrijstelling toch van toepassing kan zijn op de vermogensbeheerdiensten van eiseres. Het enkele feit dat eiseres de vergoeding daarvoor in rekening brengt aan haar individuele cliënten behoeft, anders dan verweerder stelt, daaraan op zichzelf niet in de weg te staan. Temeer niet nu uit de Voorwaarden volgt dat de individuele cliënt de overeenkomst aangaat met eiseres en de Stichting gezamenlijk.
6 maanden voor rekening van de rechtbank. De Staat heeft op 8 juli 2014 een beleidsregel gemaakt (nr. 436935, Staatscourant 2014, nr. 20210), die op 1 oktober 2014 in werking is getreden. Op grond daarvan is het, behoudens uitzonderingen die zich hier niet voordoen, niet langer nodig om de Staat om een reactie te vragen over de vraag of schadevergoeding verschuldigd is. Verweerder dient daarom een bedrag van € 1.368 (13/19e van € 2.000) aan eiseres te voldoen en de Minister een bedrag van € 632 (6/19e van € 2.000).