Belanghebbende, ondernemer en beheerder van het pensioenfondsvermogen, maakte bezwaar tegen de door haar betaalde omzetbelasting over juli 2009. Zij stelde dat het beheer van het pensioenfondsvermogen vrijgesteld moest zijn op grond van artikel 11, lid 1, letter i, onder 3°, van de Wet op de omzetbelasting 1968, omdat het pensioenfonds een gemeenschappelijk beleggingsfonds zou zijn.
Het Hof Den Haag oordeelde dat het pensioenfonds geen gemeenschappelijk beleggingsfonds is, omdat deelnemers geen beleggingsrisico van voldoende betekenis dragen en het fonds wezenlijk anders functioneert dan een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe). De deelnemers hebben een begrensd recht op pensioenuitkering, gebaseerd op dienstjaren en gemiddeld loon, en niet op de waarde van het fondsvermogen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU, waarin onder meer is bepaald dat pensioenfondsen alleen als gemeenschappelijk beleggingsfonds kunnen worden aangemerkt indien het beleggingsrisico door de deelnemers wordt gedragen. Nu dit niet het geval was, faalde het cassatiemiddel en werd het beroep ongegrond verklaard.