ECLI:NL:RBNHO:2017:5723
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling overdrachtsbelasting bij verkrijging aandelen vastgoed-BV in kader bedrijfsopvolging
Eiseres verkreeg alle aandelen in de BV van haar vader, waarin een vastgoedportefeuille ter waarde van circa 6 miljoen euro was ondergebracht. De BV exploiteerde een materiële onderneming met deze onroerende zaken. Verweerder legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op, welke eiseres betwistte met beroep bij de rechtbank.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr) op deze aandelenoverdracht van toepassing is. De rechtbank overwoog uitgebreid de wetsgeschiedenis, de arresten van de Hoge Raad van 2007 en 2011 (de doorkijkarresten) en de structuur van de Wbr. Daarbij werd geoordeeld dat de wetsfictie van artikel 4 Wbr Pro bedoeld is om heffing via tussenschuiven van rechtspersonen te voorkomen, maar niet om vrijstelling te beperken als de verkrijging van de onroerende zaak zelf vrijgesteld zou zijn.
De rechtbank stelde vast dat de vastgoedportefeuille dienstbaar was aan de materiële onderneming van de BV en dat eiseres de bedrijfsvoering van haar vader heeft voortgezet. Dit maakt dat de verkrijging van de aandelen als een vrijgestelde verkrijging moet worden aangemerkt. Het beroep van eiseres werd gegrond verklaard, de naheffingsaanslag en belastingrente werden vernietigd en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
De rechtbank wees een integrale kostenvergoeding af omdat geen sprake was van vooringenomenheid of onzorgvuldig handelen door verweerder. Het vonnis bevestigt de toepassing van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling bij indirecte verkrijging van onroerende zaken via aandelen in een BV die een materiële onderneming drijft.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en belastingrente.