Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
BNB2007/167 [1] en HR
BNB2011/219 [2] (de doorkijkarresten).
BNB2011/219 houdt voorts in dat een indirecte verkrijging (i.e. verkrijging van OZL-aandelen) is vrijgesteld als directe verkrijging van onroerende zaken
van het OZLvrijgesteld zou zijn. Op basis daarvan betoogt de staatssecretaris van Financiën dat ’s Hofs uitspraak het recht schendt.
BNB2007/167 en HR
BNB2011/219 erop neer dat een verkrijging van fictieve onroerende zaken (OZL-aandelen) niet ongunstiger wordt behandeld dan de verkrijging van onroerende zaken. In HR
BNB2011/219 lees ik geen bijstelling, beperking of nuancering van dat uitgangspunt. De vergelijking die u in dit arrest maakte met een overdracht door het OZL wordt mijns inziens verklaard door de omstandigheden van dat geval en de omzetbelastingproblematiek die in die zaak aan de orde was; verder gaan (volledige wegdenken van het OZL) dan leveranciersvervanging was in die zaak niet nodig om tot de teleologisch toepasselijke vrijstelling te concluderen. Een antimisbruikbepaling moet voorts teleologisch beperkt worden tot de gevallen waarvoor zij is bedoeld.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
Maakt u aanspraak op vrijstelling van overdrachtsbelasting?”) is “
Nee” aangevinkt, met de handgeschreven toevoeging:
“maar zie reeds ingediend verzoek van [D] van [E]”, die kennelijk verwijst naar een op 6 februari 2015 gedagtekend bezwaarschrift dat de Inspecteur reeds op 9 februari 2015 had ontvangen, gericht tegen de toen nog niet gedane voldoening op aangifte.
BNB2011/219 en HR
BNB2007/167, waarin u de vrijstellingen ex art. 15(1)(a) Wet BRV (samenloop met omzetbelasting) en art. 15(1)(p) Wet BRV (monumenten) toepaste op verkrijgingen van fictieve onroerende zaken. Uit die arresten volgt dat de strekking van art. 4 Wet Pro BRV is beperkt tot voorkoming van het ontgaan van overdrachtsbelasting door het tussen de overdrager en de verwerver schuiven van een rechtspersoon. De Inspecteur betoogde dat de vrijstelling voor bedrijfsopvolging alleen bedoeld is voor overdracht van eenmanszaken en personenvennootschapsparticipaties en dat de materiële onderneming voortgezet moet worden door de verkrijger. Blijkens het proces-verbaal van de zitting bestreed hij niet dat de tot het vermogen van [B] Holding BV en [C] BV behorende onroerende zaken dienstbaar waren aan een materiële onderneming.
BNB2010/218 [6] heeft zij daarom het bezwaar en het beroep ontvankelijk geacht. Ook in hoger beroep was dit punt in geschil, maar in cassatie niet meer. Ik maak er van ambtswege enige opmerkingen over.
i.e.een objectieve onderneming in de zin van art. 3.2 Wet IB 2001. Niet vereist achtte de Rechtbank dat de onderneming door een subjectieve IB-ondernemer wordt gedreven. Uit de parlementaire geschiedenis heeft zij opgemaakt dat de wetgever de vrijstelling bedoeld heeft voor alle overdrachten [7] waarin is voldaan aan de materiële criteria voor het bestaan van een onderneming. [8] Deze uitleg strookt met die van het ondernemingsbegrip in de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in art. 35c Successiewet 1956 en art. 4.17a/c Wet IB 2001. De omstandigheid dat in die bepalingen expliciet in rechtsvormneutraliteit is voorzien, achtte de Rechtbank geen grond voor een ander oordeel. Vrijstelling was volgens haar (dus) ook niet in strijd met hetgeen de wetgever wilde bereiken met de BRV-regeling voor fictieve onroerende zaken, nl. voorkoming van het ontgaan van overdrachtsbelasting door tussenschuiving van rechtspersonen. Van een dergelijk ontgaan is geen sprake, nu overdracht van dezelfde onroerende zaken als onderdeel van dezelfde onderneming zonder de juridische huls van een rechtspersoon ook vrijgesteld zou zijn geweest. De Rechtbank verwees naar de doorkijkarresten HR
BNB2007/167 en HR
BNB2011/219. Zij achtte vrijstelling evenmin in strijd met de opmerking in de toelichting op het Belastingplan 2015 dat de bedrijfsopvolgings-vrijstelling niet kan gelden bij een indirecte verkrijging van onroerende zaken door verkrijging van aandelen. Anders dan de wetgever toen kennelijk voor mogelijk stond, gaat het in casu namelijk om verkrijging van aandelen die volgens de doorkijkarresten gelijk staan aan een materiële onderneming.
FutD(2016/1950) tekende bij de uitspraak van de Rechtbank aan:
FutD2017/2050 bij de uitspraak van het Hof het volgende aan:
NLF2017/2197 bij de uitspraak van het Hof:
NTFR2017/2186:
PE-Tijdschrift voor de bedrijfsopvolgingnaar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank het volgende op (ik heb de voetnoten weggelaten): [11]
Cursus Belastingrechtde oordelen van de Rechtbank en het Hof: [12]
3.Het geding in cassatie
- i) In het licht van de bewoordingen in de doorkijkarresten moet worden vergeleken met de heffing in het geval waarin het OZL ([B] Holding BV) de onroerende zaken rechtstreeks zou hebben overgedragen aan de verkrijger (de belanghebbende). Omdat het OZL niet in familieverhouding staat tot de verkrijger, is de vrijstelling niet van toepassing;
- ii) Uit de doorkijkarresten volgt niet dat het OZL wordt vereenzelvigd met de natuurlijke persoon/aandeelhouder of dat de voortzetting van de onderneming door het OZL kan worden toegerekend aan de verkrijger. De belanghebbende kan daarom niet aan de wettelijke voortzettingseis voldoen;
- iii) Bij de heffing van overdrachtsbelasting ter zake van verkrijging van OZL-aandelen bestaat weliswaar een risico dat het aandelenbezit versnipperd raakt, maar dat raakt niet de integriteit van de materiële onderneming gedreven door het OZL.
- iv) Er gaat geen IB-onderneming over en aandelenbezit kan daarmee evenmin worden gelijkgesteld.
junctoart. 15(1)(b) en art. 15(1)(e).
4.Ambtshalve: beoordeling van de ontvankelijkheid
BNB1998/438 [16] merkte u als bezwaarschrift aan een verzoek om uitstel van betaling dat de latere indiening van bezwaar tegen de aanslag aankondigde:
Wet- en regelgeving over de bedrijfsopvolgingsvrijstelling in de overdrachts-belasting
6.De doorkijkarresten
BNB2007/167 [18] heeft u geoordeeld dat ook de verkrijging van fictieve onroerende zaken (OZL-aandelen in de zin van art. 4 Wet Pro BRV) van overdrachtsbelasting kan zijn vrijgesteld. Het ging om een BV die hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel had en die alle aandelen verkreeg in een andere BV, een OZL, die een in het monumentenregister ingeschreven zaak bezat. In geding was of de monumentenvrijstelling (art. 15(1)(p) Wet BRV; inmiddels vervallen) gold voor deze verkrijging. U overwoog:
BNB2007/167:
BNB2011/219 [23] paste u dezelfde wetsuitleg toe als in HR
BNB2007/167, maar nu ter zake van de vrijstelling ex art. 15(1)(a) Wet BRV (samenloopvrijstelling omzet/overdrachtsbelasting). Omdat overdracht van aandelen is vrijgesteld van omzetbelasting [24] , lopen de overdrachtsbelasting en de omzetbelasting niet samen bij een verkrijging van OZL-aandelen, maar dat staat volgens u niet in de weg aan toepassing van de samenloopvrijstelling. Aan de orde was een verkrijging van alle aandelen in een BV, een OZL, wier activa bestonden uit alle aandelen in een tweede BV, eveneens een OZL. De bezittingen van de tweede BV bestonden hoofdzakelijk uit twee percelen onbebouwde grond die ingevolge art. 11(4) Wet OB 1968 voor de toepassing van art. 11(1)(a)(1o) Wet OB 1968 als bouwterrein moesten worden beschouwd. U overwoog over het beroep op de vrijstelling in art. 15(1)(a) Wet BRV ter zake van de verkrijging van aandelen:
BNB2007/167; PJW] heeft overwogen, dat de verkrijging van aandelen in, kort gezegd, onroerendezaaklichamen wordt belast als werden de betrokken onroerende zaken zelf verkregen. Deze wetsfictie heeft geen verdere strekking dan te voorkomen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan. Met deze wetsfictie is niet beoogd de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam onder de heffing van overdrachtsbelasting te brengen voor zover de verkrijging van een onroerende zaak van dat lichaam zelf buiten de heffing van overdrachtsbelasting zou blijven vanwege de vrijstellingsbepaling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet BRV.
BNB1982/74, (…).”
BNB2007/167 en HR
BNB2011/219 suggereren toepassing van een beginsel van gelijke behandeling van indirecte en directe verkrijging van onroerende zaken. Daardoor rijst de vraag met welke rechtstreekse verkrijging de verkrijging van fictieve onroerende zaken moet worden vergeleken. Van Straaten gaat er in
BNB2011/219 van uit dat u voor de samenloopvrijstelling vergeleek met het geval waarin het OZL de overdrager van de onroerende zaken is:
BNB2011/219 vast staat dat (alleen) vergeleken moet worden met een verkrijging van stenen uit handen van het OZL:
BNB2011/219; PJW], waar de toepasselijkheid van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Wbr ter beoordeling voorlag, is overwogen dat het moet gaan om een ‘verkrijging van de onroerende zaak van dat lichaam zelf’. In het arrest van 23 februari 2007 [HR
BNB2007/167; PJW], waar de toepasselijkheid van de vrijstelling op de verkrijging van een monument ter beoordeling voorlag, is geen vergelijkbare beperking aangebracht. De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de Hoge Raad in het arrest van 10 juni 2011 iets anders voor ogen heeft gestaan dan aan te sluiten bij de toepassingsvoorwaarden van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wbr. De rechtbank heeft evenmin aanleiding te veronderstellen dat ook in het onderhavige geval, waarin de toepassingsvoorwaarden van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wbr ter beoordeling voorliggen, aan voormeld vereiste moet zijn voldaan. De toepassingsvoorwaarden van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wbr leiden niet tot het stellen van een gelijk vereiste.”
WPNR2015/7060 [28] (ik laat voetnoten weg):
BNB2011/219 dat alleen vergeleken kan worden met een verkrijging uit handen van de OZR. Zij zien bovendien complicaties bij de toepassing van het voortzettingsvereiste als de bedrijfsopvolgingsvrijstelling zou kunnen gelden voor verkrijging van fictieve onroerende zaken:
BNB2007/167) en van 10 juni 2011 (
BNB2011/219,
V-N2011/32.19), geven daarvoor geen ruimte. Hoewel deze arresten in de literatuur "doorkijkarresten" worden genoemd, lijkt het ons juister deze aan te duiden als de "gelijke heffing arresten". Het hangt daarbij uiteraard af van de uitleg die aan de genoemde arresten moet worden gegeven. Indien deze zo dienen te worden gelezen dat bij een verkrijging van aandelen een vrijstelling van toepassing is indien er ook een vrijstelling zou gelden ingeval de onroerende zaken direct zouden zijn verkregen van de vennootschap waarvan de aandelen zijn verworven, dan is voor de toepassing van de vrijstelling geen ruimte. Voorts kan de onderneming van de rechtspersoon niet als de onderneming van de aandeelhouder worden aangemerkt, dat wil zeggen dat de overdragende aandeelhouder niet de ondernemer is die (de onderneming) overdraagt. Bovendien zou het voortzettingsvereiste dan dienen te bestaan uit het houden van de aandelen en het voortzetten van de onderneming door de rechtspersoon.”
7.De bedoeling van art. 15(1)(b) Wet BRV
BNB2004/5 [30] volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet BRV dat het doel van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling is voorkoming van versnippering van de onderneming bij overgang op (pleeg-)kinderen, kleinkinderen of hun echtgenoten:
BNB2004/33 [31] heeft u dit herhaald en daaraan toegevoegd dat de beperking tot die kring geen discriminatie of privilege inhoudt:
BNB2004/5; PJW]).”
BNB2004/5 verwees u naar de volgende passages uit de parlementaire geschiedenis van art. 15(1)(b) Wet BRV:
Kamerstukken II1969/70, 10 560, nr. 3, blz. 27 (MvT))
Lid 1, letter b.Deze bepaling stemt overeen met artikel 101, eerste lid, letter b, van de Registratiewet 1917.”
Kamerstukken II1969/70, 10 560, nr. 7, blz. 12 (MvA))
Kamerstukken II1995/96, 24 428, nr. 3, blz. 13 (MvT))
8.Beoordeling van het beroep in cassatie
BNB2007/167. Zo neen, dan kan hij de vrijstelling niet deelachtig worden. Dit laatste standpunt – de bedrijfsoverdrachtvrijstelling voor ondernemingsvermogen kan (alleen) analogisch op aandelenverkrijging worden toegepast als ook directe overdracht
door het OZLaan de belanghebbende vrijgesteld zou zijn – vindt steun in HR
BNB2011/219.
overkillzoveel mogelijk moet worden vermeden, met name als die antimisbruikbepaling een fictie invoert. Dat is denkelijk ook de achtergrond van uw overweging in de doorkijkarresten dat art. 4 Wet Pro BRV geen verdere strekking heeft dan tegengaan van belastingontwijking door tussenschuiving van rechtspersonen. Anderzijds doet het fiscaal wegdenken van een rechtspersoon het fiscale recht afwijken van het civiele, hetgeen evenmin meer dan noodzakelijk zou moeten gebeuren.
door het OZLde enige toegestane
comparablezou zijn voor de vraag of de verkrijging van fictieve onroerende zaken teleologisch moet worden vrijgesteld. Ik lees in HR
BNB2011/219 geen intentie om de in HR
BNB2007/167 ingezette principiële benadering bij te stellen, te beperken of te wijzigen; ik lees er, integendeel, expliciet de wens in om eerdere andersluidende rechtspraak (HR
BNB1982/74) te corrigeren, alsmede uw intentie om u ook voor de samenloopvrijstelling te bekeren tot de doorkijkbenadering ex HR
BNB2007/167. De vergelijking die u in HR
BNB2011/219 maakte, lijkt mij slechts ingegeven door de omstandigheden van dat geval en de strekking van de in dat geval relevante omzetbelastingwetgeving. Ik lees er geen algemene beperking in van uw
BNB2007/167-leer tot één vergelijking die juist géén doorkijk inhoudt (zoals in HR
BNB2007/167), maar slechts leveranciersvervanging.
NJ2016, 438: [34]
BNB2013/105 [39] en HR
BNB2016/203 [40] lijkt te volgen dat u onder omstandigheden meer betekenis dan die van een beleidsopvatting van de Executieve hecht aan posterieure uitlatingen van de staatssecretaris.