ECLI:NL:RBNHO:2018:10861
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering pensioenverplichting en toepassing rekenrente in vennootschapsbelasting
Eiseres, een vennootschap die een pensioenverplichting heeft aan haar enig aandeelhouder en diens echtgenote, betwist de door de Belastingdienst opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 2014. De discussie betreft de waardering van de pensioenverplichting volgens artikel 3.29 Wet IB 2001, waarbij een minimale rekenrente van 4% wordt gehanteerd, terwijl de marktrente lager is.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke waarderingsvoorschriften, waaronder artikel 3.29 Wet IB 2001 en artikel 8 lid 6 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, ook na het arrest van de Hoge Raad van 2015 van toepassing blijven, ondanks dat de marktrente lager is dan 4%. De wetgever heeft bewust gekozen voor deze minimale rekenrente en daarbij het realiteitsbeginsel en voorzichtigheidsbeginsel in acht genomen.
De rechtbank toetst ook aan artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en concludeert dat de wetgeving voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is, en een legitiem algemeen belang dient. Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last voor eiseres gezien haar inkomens- en vermogenspositie.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en handhaaft zij de navorderingsaanslag. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 wordt gehandhaafd.