ECLI:NL:RBNHO:2018:1741
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Recht op kostenvergoeding en immateriële schadevergoeding bij bezwaar tegen aanslag inkomstenbelasting 2012
Eiser was in 2012 deels werkzaam in Nederland en deels in Duitsland. Verweerder legde een ambtshalve aanslag IB/PVV 2012 op, waarbij het buitenlandse inkomen werd geschat. Eiser diende pas in de bezwaarfase relevante Duitse loongegevens en verklaringen in, op basis waarvan de aanslag werd verminderd en premievrijstelling verleend.
Eiser vorderde een kostenvergoeding voor de bezwaarfase en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld bij het opleggen van de aanslag, omdat hij niet op de hoogte was van de buitenlandse gegevens en de schatting niet onredelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en gegrond voor zover het de immateriële schadevergoeding betreft. Er was een overschrijding van de redelijke termijn met één maand, waarvoor een vergoeding van € 500 werd toegekend. Daarnaast werden de proceskosten van eiser vergoed. Het verzoek om kostenvergoeding voor de bezwaarfase werd afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep toe voor de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.