Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[naam vof] ,
Rechtbank Noord-Holland
Werknemer trad op 16 juni 2017 in dienst bij werkgever, een koeriersbedrijf, met een arbeidsovereenkomst op afroepbasis voor twaalf maanden. Vanaf 27 september 2017 verrichtte werknemer geen werkzaamheden meer. Werkgever betaalde op 6 oktober 2017 de eindafrekening. Werknemer stelde dat hij op 27 september ziek was en op 28 september op staande voet was ontslagen, wat werkgever betwistte.
Werknemer verzocht de opzegging te vernietigen en loon doorbetaald te krijgen, met een subsidiaire vordering tot billijke vergoeding. Werkgever stelde dat werknemer zelf ontslag had genomen tijdens een telefoongesprek op 28 september 2017. De kantonrechter stelde vast dat geen sprake was van ontslag op staande voet en dat de stellingen over opzegging door werknemer elkaar in evenwicht hielden.
De bewijslast voor opzegging lag bij werkgever, die geen bewijs aanbood. De kantonrechter ging daarom uit van het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst. De loonvordering werd afgewezen omdat werknemer geen verklaring van een deskundige inzake arbeidsongeschiktheid had overgelegd, zoals vereist in artikel 7:629a BW. Het verzoek om billijke vergoeding en om werkzaamheden te hervatten werden eveneens afgewezen. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: Alle verzoeken van werknemer worden afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.