De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, omdat zij de minderjarige wilde overplaatsen naar een ander pleeggezin. De minderjarige verbleef reeds onder een geldende machtiging bij een pleeggezin. De GI baseerde haar verzoek mede op een arrest van het Gerechtshof waarin werd geoordeeld dat een overplaatsing binnen een bestaande machtiging niet is toegestaan.
De kinderrechter stelde vast dat de huidige situatie anders was dan in het aangehaalde arrest. De minderjarige verbleef op het moment van de eerdere machtiging nog niet bij het pleeggezin en de screening van de nieuwe pleegmoeder was nog niet afgerond. Volgens de rechtbank staat het de GI vrij om een minderjarige over te plaatsen als dit in het belang van het kind is, zonder dat daarvoor een nieuwe machtiging vereist is.
De rechtbank benadrukte dat overplaatsingen zorgvuldig moeten worden overwogen en uitgevoerd met het belang van de minderjarige voorop. Gezien dit oordeel verklaarde de kinderrechter de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek tot een nieuwe machtiging.
De moeder oefent het gezag uit en wil dat de minderjarige terugkeert naar huis. De vader stemt in met de overplaatsing naar het eerdere pleeggezin. De vader geeft aan vanwege een mogelijk loyaliteitsconflict momenteel geen omgang met de minderjarige te hebben.
De beschikking is door de kinderrechter M.T. Goossens op 24 mei 2018 uitgesproken. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden door tussenkomst van een advocaat.