Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
19-4555
1.De procedure
14 februari 2020;
14 februari 2020;
62 jaar oud, al twee jaar uit het arbeidsproces en in lijn met de eerder tussen partijen gemaakte afspraak – om allebei op termijn minder te gaan werken –
€ 1.246,- bruto per maand aan de man moet betalen.
)
€ 3.000,-, zoals door de vrouw gesteld. Ook de rechtbank volgt de vrouw niet in deze stelling, nu zij daar gezien de betwisting van de man onvoldoende toe heeft gesteld. Het verzoek van de vrouw om een vergoeding wegens overbedeling vast te stellen zal hierna dan ook worden afgewezen.
€ 17.000,- op 20 februari 2014. Ten aanzien van deze aflossingen heeft dan ook te gelden dat een gemeenschapsschuld is voldaan met het privévermogen van de vrouw en dat aan de vrouw daarom een vergoedingsrecht op de gemeenschap toekomt van € 40.000,-. Tot aan dit bedrag kan het verzoek van de vrouw dan ook worden toegewezen. Nu voor het overige niet, althans onvoldoende is gebleken van een vergoedingsrecht van de vrouw op de gemeenschap, zal het verzoek voor het overige worden afgewezen. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om ten aanzien van hetgeen wordt toegewezen, af te zien van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring, zoals door de man verzocht.