Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
De vrouw heeft verder verzocht om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de man te veroordelen tot afgifte aan de vrouw van de bankafschriften van de ING-bankrekening met nummer [002] op naam van de vrouw over de jaren 2004, 2005 en 2006; kosten rechtens. [9]
Tevens heeft de man, onder aanvoering van twee grieven, incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen uitsluitend voor zover het betreft het aan de vrouw toegekende vergoedingsrecht van € 40.000,- jegens de gemeenschap, althans van € 20.000,- jegens de man en het verzoek van de vrouw daartoe alsnog af te wijzen. [10]
Het hof heeft in zoverre opnieuw rechtdoende:
De man is in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren. Er is geen verweerschrift ingediend.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
II Vergoedingsrecht en kosten van de huishouding.4.8. De
vrouwvoert aan dat zij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap ter hoogte van het bedrag van de erfenis en – indien de gemeenschap niet toereikend is – voor de helft van dat bedrag op de man. Zij heeft haar stellingen als volgt toegelicht. De vrouw heeft een recht van reprise op grond van art. 1:96 lid 4 BW Pro waarbij de vrouw erkent dat in dit geval recht bestaat op een nominale vergoeding omdat zij de erfenis heeft ontvangen vóór de inwerkingtreding van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen op 1 januari 2012.
Het geld van de erfenis is gestort op een betaalrekening op naam van de vrouw met nummer ** [001] . Op deze rekening werden ook de kinderbijslag, vergoedingen van de vrouw voor haar diverse bestuursfuncties en schade-uitkeringen ten behoeve van beide partijen (vanwege een ongeval dat zij op 18 juli 2007 hebben gehad) gestort.
Van de betaalrekening op naam van de vrouw met nummer ** [001] zijn vervolgens kosten van de huishouding, uitgaven ten behoeve van consumptieve bestedingen en kosten/schulden van de maatschap voldaan, zijnde gemeenschapsschulden. Alle financiële middelen waarover partijen beschikten werden aangewend voor het draaiende houden van het gezin en de maatschap, aldus de vrouw.
De vrouw kan de beslissing van de rechtbank niet rijmen met het arrest van de HR van 5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:504). De privérekening van de vrouw met nummer ** [001] behoort tot de huwelijksgemeenschap. Door de overschrijving van de erfenis op deze rekening zijn de erfenisgelden, door vermenging, tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren en de "poort van de gemeenschap" gepasseerd. Nu uit dit gemeenschapsvermogen gemeenschapsschulden zijn voldaan, brengt dit geen wijziging in het vergoedingsrecht van de vrouw. De gemeenschap is immers hierdoor gebaat. Alle door de vrouw van haar bankrekening gedane uitgaven waren gemeenschapsschulden. De vrouw heeft dan ook een vergoedingsrecht voor het totale bedrag van de met uitsluiting ontvangen erfenis (met uitzondering van het bedrag dat zij aan de kinderen heeft geschonken).
4.9. De
manweerspreekt de grief.
De man betwist dat in het onderhavige geval zonder meer vermenging kan worden aangenomen, dan wel dat – indien van vermenging sprake zou zijn – dit van doorslaggevend belang is. Het gaat hier om een privérekening van de vrouw en niet om een gemeenschappelijke rekening.
Het vergoedingsrecht van de vrouw kan geen betrekking hebben op kosten van de huishouding, aldus de man.
Een cruciaal verschil met het geval dat ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 is dat in het onderhavige geval zich de situatie voordoet dat de vrouw overeenkomstig haar fourneerplicht van art. 1:84 BW Pro heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding (en niet de situatie dat de vrouw wellicht te weinig heeft bijgedragen aan die kosten op grond waarvan de man een vordering heeft op de vrouw die mogelijk bij de verdeling van de gemeenschap kan worden verdisconteerd).
De vrouw heeft, zo voert de man verder aan, niet gegriefd tegen rov. 2.6.15 waarin de rechtbank overweegt dat de vrouw niet het standpunt van de man heeft betwist dat de vrouw een evenredig deel van de kosten van de huishouding voor haar rekening heeft genomen, door op de momenten dat er nauwelijks inkomsten waren, deze aan te zuiveren met het geld uit de erfenis en dat de vrouw zelfs uitdrukkelijk heeft aangegeven dat partijen hebben geleefd van de erfenis, omdat er vanwege de vogelgriep geen inkomsten waren en dat in de jaren erna de gelden zijn aangewend om tekorten mee aan te vullen/rekeningen mee te voldoen. Ook heeft zij niet gegriefd tegen rov. 2.6.16 waarin de rechtbank overweegt dat de vrouw met haar privévermogen een bijdrage [heeft; toev. A-G] geleverd aan de kosten van de huishouding toen er onvoldoende inkomsten waren.
Nu de vrouw conform art 1:84 BW Pro haar privévermogen moest aanwenden voor de kosten van de huishouding komt haar geen vergoedingsrecht toe, aldus de man.
De man betwist dat de erfenisgelden ook zijn aangewend voor consumptieve bestedingen, die niet onder noemer kosten van de huishouding kunnen worden geschaard. Dure auto's en dure vakanties bijv. waren er niet. De vrouw toont het ook niet aan.
De man betwist tot slot dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft vanwege betalingen ten behoeve van de maatschap. Partijen hebben in 2014 het maatschapscontract opgesteld, waarbij in art. 3 is Pro geregeld wat wordt ingebracht. De vrouw heeft toen geen afwijkende verdeling voorgesteld. Met het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst over de beëindiging van de maatschap heeft de vrouw bovendien afstand gedaan van al haar vorderingen jegens de maatschap, ook van eventuele vergoedingsrechten aldus de man.
4.10. Het
hofoverweegt als volgt.
4.10.1. Vast staat dat de vrouw (onder uitsluitingsclausule) een bedrag van € 158.796,57 (nog te vermeerderen met de hiervoor in rov. 4.6 genoemde bedragen van € 11.723,62 en 397,76) van haar vader heeft geërfd. Deze bedragen zijn gestort op een privérekening op naam van de vrouw met nummer * [001] . Uit de door de vrouw overgelegde producties (producties 29 t/m 45 in eerste aanleg en productie 1 t/m 13 in hoger beroep) – en partijen zijn het daar ook over eens – blijkt voorts dat op de peildatum – 26 maart 2018 – van het bedrag van de erfenis (en van de bijgeschreven rente) niets over is.
4.10.2. De door de vrouw ontvangen erfenis behoort, nu daaraan een uitsluitingsclausule was verbonden, tot het privévermogen van de vrouw (art. 94 lid 2 sub Pro a (oud) BW).
Het standpunt van de vrouw komt er naar de kern genomen op neer dat zij, voor het gehele bedrag van de erfenis, ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:504) een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap (en bij ontoereikendheid van de gemeenschap voor de helft van het bedrag op de man), omdat haar privérekening met nummer ** [001] , waarop de erfenis is overgeschreven, behoort tot de huwelijksgemeenschap, en de erfenis, door overschrijving daarvan op de rekening, door vermenging, tot het gemeenschapsvermogen is gaan behoren.
(…)”
NJ1988/150 m.nt. E.A.A. van Luijten (
Kriek/Smit). [24]
Volgens art. 1:87 lid Pro 4, tweede volzin, BW is geen vergoeding verschuldigd voorzover door de verkrijging, voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot wordt voldaan aan een op die echtgenoot rustende verbintenis. [32] Hierbij moet men denken aan een verbintenis uit geldlening, een verbintenis uit gift of een natuurlijke verbintenis. [33] Ook voorheen was dat het geval op grond van jurisprudentie. [34] Daarnaast is art. 1:87 BW Pro niet van toepassing indien er een vergoedingsrecht ontstaat tussen echtgenoten die buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd buiten de in het eerste lid van art. 1:87 BW Pro genoemde twee gevallen. Kraan noemt als voorbeelden het betalen door een echtgenoot van een schuld van de andere echtgenoot die niet betrekking heeft op een goed of het overboeken van geld op de rekening van de andere echtgenoot. [35] Op dergelijke niet onder art. 1:87 BW Pro vallende vergoedingsrechten – waarvoor de wet ook elders geen regeling bevat – blijft de rechtspraak van de Hoge Raad (kortweg de nominaliteitsleer van het arrest
Kriek/Smit) van toepassing. [36] Tot slot is in art. V van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen als regel van overgangsrecht bepaald dat art. 1:87 BW Pro slechts van toepassing is op vergoedingsvorderingen die ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet (te weten 1 januari 2012) plaatsvinden. Op de vergoedingsvorderingen die zijn ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die vóór dat tijdstip hebben plaatsgevonden, blijft het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Het vóór 1 januari 2012 geldende recht wordt derhalve geëerbiedigd en de rechtspraak van de Hoge Raad tot dan toe blijft dus in zijn geheel van belang voor vergoedingsrechten waarop het vóór 1 januari 2012 geldende recht van toepassing is. [37]
Doordat de geschonken bedragen op een gemeenschappelijke bankrekening van partijen zijn overgeboekt, is het totaalbedrag van € 30.000, naar het in zoverre onbestreden oordeel van het hof, door vermenging tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren(rov. 3.6.4.4). Het wettelijk stelsel van titel 7 van boek 1 BW brengt dan mee dat de vrouw als gevolg van deze vermogensverschuiving in beginsel jegens de gemeenschap recht heeft op vergoeding van dat bedrag (vgl. art. 1:95 lid 2 BW Pro en art. 1:96 lid Pro 4 (voorheen lid 3) BW).
3.3.3 Het door de vrouw onder de uitsluitingsclausule verkregen bedrag van € 30.000 dat op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen is overgeboekt, is volgens de vaststelling van het hof (rov. 3.6.4.5 en 3.6.4.7) aangewend voor diverse bestedingen. Die omstandigheid doet echter op zichzelf niet af aan het vergoedingsrecht van de vrouw zoals hiervoor in 3.3.2 (slot) omschreven, omdat het erom gaat of die bestedingen betrekking hadden op gemeenschapsschulden dan wel op privéschulden van de vrouw.
3.3.4 Uit de regel van art. 1:94 lid Pro 5 (oud) BW dat alle schulden van ieder van de echtgenoten tot de huwelijksgemeenschap behoren, met uitzondering van de aldaar onder a en b genoemde schulden en van de in art. 1:94 lid Pro 3 (oud) BW (thans lid 5) bedoelde schulden die aan een van de echtgenoten zijn verknocht, volgt het vermoeden dat de tijdens huwelijk uit het gemeenschapsvermogen voldane schulden gemeenschapsschulden zijn. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een huwelijksgemeenschap ook uitgaven in verband met consumptieve bestedingen zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden. Hetzelfde geldt voor uitgaven in verband met de kosten van de huishouding als bedoeld in art. 1:84 BW Pro, ongeacht hoe ingevolge deze bepaling de draagplicht ter zake van die kosten tussen de echtgenoten verdeeld is.
3.3.5 Uit hetgeen hiervoor in 3.3.2-3.3.4 is overwogen, volgt dat de hiervoor in 3.3.1 weergegeven klachten gegrond zijn. De overige klachten behoeven geen behandeling.
Brinkman stelt – m.i. terecht – de vraag of ook onder het huidige vanaf 2018 geldende stelsel van een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen nog steeds uit de wet het vermoeden kan worden afgeleid dat de tijdens huwelijk uit de huwelijksgemeenschap voldane schulden vermoed worden gemeenschapsschulden te zijn. [43]
NJ-annotatie onder het arrest op – nadat hij eerst heeft opgemerkt dat dit toch wel een raadselachtige opmerking is aangezien de Hoge Raad in dezelfde overweging iets eerder oordeelt dat die aanspraak niet aan de gemeenschap toekomt – dat ‘verdisconteren’ bij de verdeling alleen maar kan als die vordering nog geldend gemaakt kan worden en daarvan geen sprake is als rechtsverwerking moet worden aangenomen. Hij vraagt zich vervolgens af hoe dit zich verhoudt met de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake kosten van de huishouding op grond waarvan de vergoedingsvordering ter correctie van de te veel betaalde kosten van de huishouding betrekkelijk snel (binnen een jaar) door rechtsverwerking tenietgaat [45] en stelt de vraag of we uit dit arrest moeten concluderen dat deze jurisprudentie op losse schroeven is komen te staan. [46]
nietbetekent dat daarmee door vermenging het geschonken / geërfde bedrag tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren, waardoor vervolgens (in beginsel) een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap zou ontstaan. [73] Hierbij wordt door verscheidene auteurs [74] zowel acht geslagen op het goederenrechtelijk karakter van de bankrekening alsmede op de ‘verknochtheidsjurisprudentie’ van de Hoge Raad [75] op grond waarvan het verknochte deel van een ontslagvergoeding die is ontvangen in de vorm van een bedrag ineens en welke vordering middels girale betaling is voldaan, niet in de gemeenschap valt “voor zover het daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten te identificeren is”.
Trekt men deze redenering door naar huwelijksgemeenschappen onder het nieuwe recht, dan zou dat betekenen dat een bankrekening van een echtgenoot die hij vóór het aangaan van hun huwelijk had, op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW Pro buiten de huwelijksgemeenschap valt en dat gelden die later op deze bankrekening worden geboekt door vermenging tot het eigen vermogen van die betreffende echtgenoot gaan behoren. Daardoor ontstaat dan een vergoedingsrecht van de huwelijksgemeenschap jegens die betreffende echtgenoot.
onbestreden oordeelvan het hof dat met de storting van privégelden op de gemeenschappelijke rekening van de echtgenoten deze gelden door vermenging deel zijn gaan uitmaken van de gemeenschap, zoals ook door mij eerder als uitgangspunt in aanmerking is genomen. [79] Hoewel dat in de lagere rechtspraak veelal is overgenomen en de heersende leer lijkt te zijn, stel ik daar bij nader inzien inmiddels wel mijn vraagtekens bij. Daarbij ook in aanmerking nemend de gevolgen ervan naar huidig recht, waardoor het voorhuwelijkse privévermogen niet langer deel uitmaakt van de gemeenschap, waartoe mede (het saldo) van een voorhuwelijkse bankrekening behoort.
Uitgaande van het vermoeden dat alle goederen (dus ook stortingen op deze rekening) aan te merken zijn als gemeenschapsvermogen – hetgeen bij elke storting tot een vermogensverschuiving leidt – zal dus op basis van de heersende leer in combinatie met het oordeel van de Hoge Raad telkens elke storting tot een vergoedingsvordering leiden, terwijl het saldo van de betreffende bankrekening tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot behoort.
.Doordat op die manier privévermogen in de gemeenschap vloeit, ontstaat (in beginsel) een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap. Naar de mening van Subelack is de vordering op de bank echter géén ondeelbare vordering. In het saldo van de bankrekening kunnen volgens Subelack wel degelijk losse vorderingen worden onderscheiden, voor zover deze niet door verrekening teniet zijn gegaan. Daaraan doet volgens hem niet af dat een rekeninghouder in de verhouding tot de bank slechts het saldo van de bankrekening kan opeisen. Subelack meent dan ook dat in beginsel geen vergoedingsrecht ontstaat wanneer privégelden op een gemeenschapsrekening worden uitbetaald. [80] Andersom geldt dat volgens hem dan ook, in die gevallen dat gemeenschapsgelden worden voldaan op een bankrekening waarvan het saldo tot het eigen vermogen van één van de echtgenoten behoort. Ook dan is van vermenging geen sprake en is dus ook niet direct een vergoedingsrecht gegeven, aldus Subelack. [81]
bankrekening-courant.
als afzonderlijke goederenkwalificeren en dus als afzonderlijke vorderingen tot het vermogen van de echtgenoot of, krachtens boedelmenging, tot het vermogen van de huwelijksgemeenschap behoren. Dit heeft tot gevolg dat dat deel van het saldo van een bankrekening dat is gevormd door de overboeking van privégelden, tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot behoort, terwijl dat deel van het saldo dat is gevormd door overboeking van gemeenschapsgelden, tot het vermogen van de huwelijksgemeenschap behoort. Door de enkele overboeking van privégelden naar een bankrekening waarvan het saldo (tot het moment van die overboeking) volledig tot de huwelijksgemeenschap behoort, ontstaat dus nog geen vergoedingsrecht. Door deze overboeking gaat ‘simpelweg’ een deel van het totaal opeisbare saldo tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot behoren. Het andere deel blijft onverkort tot de huwelijksgemeenschap behoren. Precies hetzelfde geldt wanneer gemeenschapsgelden worden geboekt naar een bankrekening waarvan het saldo oorspronkelijk volledig buiten de huwelijksgemeenschap viel. Ook dan ontstaat door die enkele overboeking nog niet direct een vergoedingsrecht. Ook hier zal door deze overboeking een deel van het totaal opeisbare saldo van de bankrekening tot het eigen vermogen van de betreffende echtgenoot blijven behoren en een deel van dat saldo tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren.”
FJR2022/29 naar aanleiding van de onderhavige in cassatie bestreden beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Subelack schrijft over de thans bestreden beschikking van het hof: [94]
RFR2020/115. Partijen waren (vóór 1 januari 2018) in gemeenschap van goederen gehuwd. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw onder uitsluiting een erfenis ontvangen van € 163.786, die is gestort op haar privérekening en daarna deels is doorgestort naar een andere rekening op haar naam. De vrouw heeft gesteld dat een deel van de erfenis is besteed aan de aflossing van de gemeenschappelijke hypotheekschuld en aan consumptieve uitgaven en dat er nog ongeveer € 83.500 resteert. De rechtbank overwoog in die zaak – samengevat – dat de onder uitsluiting ontvangen erfenis die is gestort op privérekeningen van de vrouw niet door vermenging tot het gemeenschapsvermogen is gaan behoren, omdat de erfenis altijd op de privérekeningen van de vrouw is blijven staan. Daardoor kan de vrouw volgens de rechtbank geen beroep doen op het bewijsvermoeden dat volgt uit het bepaalde in art. 1:94 lid Pro 3 (oud) BW (thans lid 5), inhoudende het vermoeden dat de tijdens het huwelijk uit het gemeenschapsvermogen voldane schulden gemeenschapsschulden zijn. Gelet op de hoofdregel van art. 150 Rv Pro geldt derhalve volgens de rechtbank dat, nu de vrouw heeft gesteld dat zij met haar privévermogen gemeenschapsschulden heeft voldaan en de man dit heeft betwist, de bewijslast rust op de vrouw. Dat van privéschulden in het geval van een gemeenschap van goederen, zoals dat van partijen gesloten vóór 1 januari 2018, niet snel sprake zal zijn zoals de vrouw heeft gesteld, doet daaraan aldus de rechtbank niet af. [95] De vrouw heeft in die zaak haar vergoedingsrecht alleen ten aanzien van een aflossing op de gemeenschappelijke hypotheekschuld aangetoond, zodat haar vergoedingsrecht zich volgens de rechtbank beperkt tot het bedrag van de aflossing. [96]
Het staat volgens het onderdeel immers – onbetwist – vast dat de erfenis op een rekening (op naam) van de vrouw is gestort en dat de erfenis is opgegaan aan uitgaven in verband met de kosten van de huishouding en schulden van de maatschap. [99] Nu de erfenis op een (reeds bestaande) rekening op naam van de vrouw is gestort, partijen in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd, de rekening of het saldo dientengevolge deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap en de desbetreffende gelden vanuit die rekening volledig zijn besteed aan uitgaven in verband met de kosten van de huishouding en schulden van de maatschap is de erfenis wel degelijk (al dan niet door vermenging) tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren. De man heeft ook met zoveel woorden erkend dat sprake is van: "een privérekening die behoort tot het gemeenschapsvermogen." [100] Door ontvangst op die – voor gemeenschappelijke doeleinden gebruikte – rekening of door de besteding vanaf die rekening aan voornoemde kosten/ schulden is het "de poort van de gemeenschap" gepasseerd. De vrouw heeft hierdoor wel degelijk een vergoedingsrecht. [101]
4.10.3. In art. 1:84 lid 1 BW Pro is bepaald dat de kosten van de huishouding achtereenvolgens ten laste komen van (1) het gemene inkomen, (2) de eigen inkomens naar evenredigheid daarvan, (3) het gemene vermogen en (4) de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
De vrouw heeft in hoger beroep geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw met haar privévermogen naar evenredigheid heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding toen er onvoldoende inkomsten waren. Zij heeft – bijna in tegendeel – ook in hoger beroep het volgende aangevoerd:
"Gedurende de jaren 2001 t/m 2015, het gehele bedrag dat de vrouw uit de erfenis van haar vader heeft verkregen alsmede de overige bedragen die zij op haar bankrekening bijgeschreven heeft gekregen, zijn verdampt en zijn opgegaan aan uitgaven in verband met de kosten van de huishouding/consumptieve bestedingen en kosten/schulden van de maatschap"
en:
Het moet er dan ook voor gehouden worden dat de vrouw – overeenkomstig de in art. 1:84 lid 1 BW Pro geregelde draagplicht – welke is opgenomen in titel 1.6 BW en behoort tot haar verplichtingen als echtgenoot jegens in dit geval de man – met haar privévermogen naar evenredigheid heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Omdat de vrouw voldaan heeft aan een op haar rustende verbintenis, is er geen plaats voor een vergoedingsrecht. Niet jegens de gemeenschap en niet jegens de man. Het hoger beroep van de vrouw slaagt niet.”
De verplichting van de vrouw uit hoofde van art. 1:84 lid 1 BW Pro geldt, aldus het onderdeel, jegens de man (zoals het hof overweegt in de laatste alinea van rov. 4.10.3). Het vergoedingsrecht van de vrouw geldt echter jegens de gemeenschap (zoals het hof eveneens overweegt in rov. 4.10.2, 2e alinea). Het hof miskent volgens het onderdeel dat de verplichting ex art. 1:84 lid 1 BW Pro losstaat van het vergoedingsrecht, zoals ook voortvloeit uit het door de vrouw aangehaalde arrest HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, rov. 3.3.4. [108] Uit dat arrest volgt dat uitgaven in verband met kosten van de huishouding ex art. 1:84 BW Pro zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden. Dat brengt in het onderhavige geval met zich mee dat het vergoedingsrecht van de vrouw jegens de gemeenschap door die uitgaven niet is aangetast, althans dat de erfenis is opgegaan aan de voldoening van gemeenschapsschulden. Het hof heeft dat miskend.
III. Bedrag dat in de maatschap is gevloeid: € 40.000,-- (grieven 1 en 2 in het incidenteel appel)4.11.1. De rechtbank heeft aan de vrouw een vergoedingsrecht toegekend van € 40.000,-- op de gemeenschap (en bij ontoereikendheid van de gemeenschap van € 20.000,-- op de man). De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
"2.6.32. De vraag is of partijen met de finale kwijtingsclausule in de vaststellingsovereenkomst (artikel 10) ook hebben beoogd dat de vrouw afstand heeft gedaan van het door haar gestelde vergoedingsrecht met betrekking tot de werktuigloods die door partijen in de maatschap is aangekocht.
De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De vrouw heeft op grond van artikel 10 afstand Pro gedaan van al haar aanspraken uit hoofde van de maatschap. Los daarvan staat het vergoedingsrecht dat de vrouw claimt uit hoofde van de afwikkeling van het huwelijksvermogen. Uit de door de vrouw overgelegde bankafschriften blijkt dat de vrouw op 9 januari 2009 van haar privérekening eindigend [001] € 40.000,- heeft overgemaakt naar Rabo rekeningnummer eindigend op [003] rekening van de maatschap) en dat van die rekening op 12 januari 2009 de factuur van [A] is voldaan. Daarmee heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank aangetoond dat zij met privévermogen heeft geïnvesteerd in gemeenschappelijk vermogen van partijen. Dat betekent dat de vrouw een volgens het tot 1 januari 2012 geldende recht nominale vordering heeft op de gemeenschap van € 40.000,= dan wel indien het gemeenschappelijk vermogen onvoldoende is van € 20.000,= op de man (zie Hoge Raad 15 september 2017 ECLI:Hoge Raad:2017:2385)."
4.11.2. De
mankomt in incidenteel appel met twee grieven op tegen dit oordeel. Met
grief 1voert hij aan dat niet kan worden aangenomen dat de € 40.000,-- voor de werktuigenloods afkomstig is uit de erfenis nu op de rekening van de vrouw met nummer ** [001] ook grote aan beide partijen toekomende schadevergoedingsbedragen (partijen hebben in juli 2007 een ernstig ongeval gehad) werden gestort, juist ook voorafgaande aan de aankoop van de werktuigenloods in januari 2009. Met
grief 2keert de man zich tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen met de finale kwijtingsclausule in de vaststellingsovereenkomst van 28 juli 2017 niet hebben beoogd dat de vrouw afstand heeft gedaan van het door haar gestelde vergoedingsrecht met betrekking tot de werktuigloods die door partijen in de maatschap is aangekocht.
4.11.3. De
vrouwweerspreekt de grieven van de man.
4.11.4. Het
hofziet aanleiding eerst de tweede grief van de man te bespreken.
Partijen zijn in art. 10 van Pro de vaststellingsovereenkomst het volgende overeengekomen.
"Partij sub 2 (toevoeging hof: de vrouw) doet afstand van al haar aanspraken uit hoofde van de maatschap en verklaart dat zij uit dien hoofde niets meer van partij sub 1 (toevoeging hof: de man) te vorderen heeft. De bestaande schulden van de maatschap zullen door partij sub 1 worden voldaan en partij sub 2 zal ter zake hiervan door partij sub 1 worden gevrijwaard. (…)"
Partijen hebben een uitzondering gemaakt voor eventuele boetes vanwege het niet beschikken over pluimveerechten en een schuld aan een tante van de vrouw. Voor deze schulden blijven zij samen verantwoordelijk, zo is geregeld in art. 10.
4.11.5. De uitleg van een schriftelijk beding in en overeenkomst dient volgens vaste rechtspraak te geschieden overeenkomstig de Haviltex-maatstaf.
De Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) luidt als volgt:
'De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.'
Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427).
In de Haviltex-maatstaf ligt besloten dat de uitleg dient te geschieden aan de hand van de wils-vertrouwensleer, zoals neergelegd in de art. 3:33 en Pro 3:35 BW. Het gaat er niet om te bepalen wat letterlijk in de overeenkomst is neergelegd maar om wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen redelijkerwijze mochten afleiden (vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315).
Vast staat dat partijen de vaststellingsovereenkomst over de ontbinding van de maatschap (per 1 januari 2018) op 28 juli 2017 hebben gesloten in het zicht van de echtscheiding. Voorts staat vast dat de man, tegenover de verkrijging van de activa, de schulden van de maatschap voor zijn rekening heeft genomen (met uitzondering van mogelijke boetes vanwege het niet hebben van pluimveerechten en een schuld aan een tante van de vrouw) en de vrouw ter zake diende te vrijwaren. In deze omstandigheden moesten partijen naar het oordeel van het hof aan art. 10 van Pro de vaststellingsovereenkomst redelijkerwijze de betekenis toekennen dat partijen de maatschap volledig hadden afgewikkeld en de vrouw geen aanspraken meer had vanwege/ "uit hoofde van" de maatschap, ook niet langs de weg van een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap (en bij ontoereikendheid van de gemeenschap op de man) vanwege investeringen in die maatschap.
Grief 2 van de man in het incidenteel appel slaagt aldus. Grief 1 hoeft geen bespreking meer.”
De hiervoor geschetste heersende leer over het niet vallen van een aandeel in de personenvennootschap in de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap blijft uiteraard relevant voor de situatie dat een echtgenoot tijdens het huwelijk toetreedt tot een personenvennootschap; (…).”
In het licht van de gescheiden vermogens van de maatschap en de huwelijksgemeenschap en gelet op de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst over de ontbinding van de maatschap is het allerzins begrijpelijk dat het hof in rov. 4.11.5 heeft geoordeeld dat “[i]n deze omstandigheden partijen naar het oordeel van het hof aan art. 10 van Pro de vaststellingsovereenkomst redelijkerwijze de betekenis [moesten] toekennen dat partijen de maatschap volledig hadden afgewikkeld en de vrouw geen aanspraken meer had vanwege/ "uit hoofde van" de maatschap, ook niet langs de weg van een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap (en bij ontoereikendheid van de gemeenschap op de man) vanwege investeringen in die maatschap.” Onderdeel 3 kan dan ook niet tot cassatie leiden.