ECLI:NL:RBNHO:2020:3194
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kostenvergoeding voor rechtsbijstand in bezwaar- en beroepsfase tegen dwangbevelkosten
Eiseres maakte bezwaar tegen dwangbevelkosten die door verweerder, de Belastingdienst, onterecht in rekening waren gebracht. Na vernietiging van deze kosten door verweerder werd geen kostenvergoeding toegekend voor de door eiseres gemaakte kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase, waarna eiseres beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld door de dwangbevelkosten in rekening te brengen en de kostenvergoedingen aanvankelijk niet toe te kennen. Na het instellen van beroep heeft verweerder alsnog een beperkte vergoeding toegekend, maar de toegepaste wegingsfactor was onjuist. De rechtbank stelt vast dat de juiste wegingsfactor voor de bezwaarfase gemiddeld (1) is, waardoor de vergoeding op € 261 wordt vastgesteld.
Voor de beroepsfase bepaalt de rechtbank een wegingsfactor licht (0,5), gezien de beperkte complexiteit en het belang van de zaak. De vergoeding voor de beroepsfase wordt vastgesteld op € 525. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht vergoed.
De uitspraak vervangt de eerdere vernietigde besluiten en bevestigt het recht van eiseres op een redelijke vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar- en beroepsfase.
Uitkomst: De rechtbank stelt de kostenvergoeding voor rechtsbijstand in bezwaar- en beroepsfase vast op respectievelijk € 261 en € 525 en veroordeelt verweerder in de proceskosten.