Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Standpunten ten aanzien van bewijs
feit 1,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 1] en
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 18] , uitsluitend ter zake van de APK-keuring;
feit 2,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 4] , uitsluitend voor wat betreft het recht op garantie,
- dossier II,
- dossier III,
feit 1,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 16] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 18]
en
het tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 20] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 24] en [slachtoffer 25] ,
feit 2,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 26] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 27]
en
het tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 28] en [slachtoffer 29] ,
- dossier II,
- dossier III
4.Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bewijs
feit 1,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 15] (mede namens [slachtoffer 36] ), [slachtoffer 14] en [slachtoffer 13]
het tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 16] en [slachtoffer 3] ,
feit 2,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 27] ,
- dossier II,
- dossier III,
NJ2011/175. Aldus is bij iedere in de bewezenverklaring opgenomen inruilauto sprake van wederrechtelijke toe-eigening.
wederrechtelijketoe-eigening is sprake indien een goed wordt weggenomen zonder dat de verdachte een titel heeft om dat eigenmachtig te doen (Hoge Raad 15 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1496). Uit het dossier blijkt dat de auto’s op het moment dat verdachte deze op ging halen in strafrechtelijke zin toebehoorden aan aangever. Verdachte heeft verklaard dat hij de auto’s en de inboedel met drie andere personen zonder overleg met aangever heeft opgehaald, op een moment dat aangever niet in het bedrijfspand aanwezig was. Verder heeft verdachte verklaard dat zij het pand zijn binnengekomen via een schuifdeur, die niet afgesloten bleek te zijn.
Uit de aangifte volgt niet dat verdachte het recht had om de auto’s weg te halen en ook overigens is niet gebleken dat hij een titel had om zich de auto’s eigenmachtig toe te eigenen. Het eventuele bestaan van de door hem gestelde verbintenisrechtelijke overeenkomst doet daaraan niet af. Ook indien aangenomen wordt dat de door verdachte aangevoerde (koop)overeenkomst tussen hem en aangever bestaat, kan verdachte daarmee jegens aangever wel (civielrechtelijk) levering van de betreffende goederen eisen, maar verschaft dat verdachte geen titel om eigenmachtig de betreffende goederen weg te nemen. De bewezenverklaring van de wederrechtelijke toe-eigening en het oogmerk daartoe wordt niet uitgesloten enkel doordat de verdachte meende dat aanspraak te kunnen maken op de in de bewezenverklaring bedoelde goederen. Daarbij betrekt de rechtbank verdachtes eigen verklaring dat hij heeft besloten de auto’s op een avond “op te halen” voordat ze allemaal weg zouden zijn, dit omdat hij verhalen hoorde dat het niet goed ging met het bedrijf van aangever en omdat verdachte had gezien dat het bedrijf van aangever leger en leger was geraakt.
feit 1,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 16] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 18] en [slachtoffer 10]
en
het tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 20] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 22] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 36] , [slachtoffer 24] , [slachtoffer 25] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 13] ,
feit 2,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 26]
en
het tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 28] en [slachtoffer 29] ,
- dossier II,
- dossier III
5.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
6.Strafbaarheid van verdachte
7.Motivering van de sancties
8.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
(art. 60a juncto 24c lid 3 Sr)en zal verhoudingsgewijs over de verschillende op te leggen schadevergoedingsmaatregelen worden verdeeld.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
ACHT (8) MAANDEN, met bevel dat deze straf
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op drie jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
HONDERDTWINTIG (120) URENtaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door ZESTIG (60) DAGEN hechtenis;
€ 1.008,15, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 6] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
20 dagengijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
€ 6.100,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 20] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
63 dagengijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
€ 5.500,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 7] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
60 dagengijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
€ 4.095,28, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 18] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
50 dagengijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
€ 1.060,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 15] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
20 dagengijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
€ 1.000,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 24] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
20 dagengijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
€ 1.000,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 25] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
20 dagengijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
€ 1.000,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 14] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
20 dagengijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
€ 2.647,97, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 26] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
35 dagengijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
€ 1.000,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 29] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
20 dagengijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
€ 425,05, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 31] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Het bedrag voor de niet geretourneerde aanbetaling te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 december 2012, en het bedrag voor de reiskosten te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
8 dagengijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft. Het bedrag voor de niet geretourneerde aanbetaling te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 december 2012, en het bedrag voor de reiskosten te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
€ 2.000,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 19] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
30 dagengijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;
) van die [slachtoffer 11] in het kader van de sloopregeling/premie ingenomen/overgenomen met de toezegging dat de (gehele) slooppremie aan die [slachtoffer 11] zou worden (door)betaald en/of
) van die [slachtoffer 12] in het kader van de sloopregeling/premie ingenomen/overgenomen met de toezegging dat de (gehele) slooppremie aan die [slachtoffer 12] zou worden (door)betaald en/of
SP-HP-44) van die [slachtoffer 13] in het kader van de de sloopregeling/premie ingenomen/overgenomen met de toezegging dat de (gehele) slooppremie aan die [slachtoffer 13] zou worden (door)betaald,