Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 augustus 2020 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- 8 dagen binnenlandse vluchten in het VK
- 10 dagen stand-by op zijn standplaats in het VK
- 37 dagen training in het VK
- Moet artikel 14, derde lid, van het Verdrag aldus worden uitgelegd dat Nederland het heffingsrecht heeft over het inkomen uit arbeid dat betrekking heeft op de bijzondere dagen?
- Behoren de door [C] aan eiser verstrekte Subsistence Allowance (SA) en Flying Duty Allowance (FDA) tot het fiscale loon?
andereVerdragsluitende staat (Nederland) zijn gelegen. Voor het onderhavige geval brengt dit mee dat indien wordt uitgegaan van de tekst van het Verdrag, alleen dan geen sprake is van de exploitatie van een luchtvaartuig in “internationaal verkeer” indien het luchtvaartuig
uitsluitendtussen plaatsen in Nederland wordt geëxploiteerd. Aangezien deze situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet, is – wederom naar de tekst van het Verdrag – de uitzondering op de uitdrukking “internationaal verkeer” niet van toepassing en heeft Nederland op de voet van artikel 14, lid 3, van het Verdrag het heffingsrecht over de gehele beloning.
European Union Aviation Safety Agency(EASA-richtlijn). Ter zitting heeft eiser verklaard dat de vergoedingen betrekking hebben op verblijfskosten op bestemming en kosten tijdens vluchten. Eiser vergelijkt de SA en FDA met een ‘per diem’ vergoeding. Verweerder weerspreekt eisers stellingen en stelt dat de vergoedingen onvoldoende zijn gespecificeerd.
€ 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1 van het gewicht van de zaak). De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere wegingsfactor, zoals door eiser is bepleit.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag ib/pvv 2015 tot een berekend naar en belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.279;
- vermindert de bij beschikking vastgestelde belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.312,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.