Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2020:7464

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 september 2020
Publicatiedatum
23 september 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5216
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek terugvordering WAO-uitkering wegens hennepteelt

Eiser ontvangt sinds 2004 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Verweerder stopzette in 2016 de uitbetaling over de periode 2012-2014 en vorderde onverschuldigde betalingen terug wegens inkomsten uit hennepteelt. Tevens werd een boete opgelegd omdat eiser dit niet had gemeld. Eiser trok bezwaar tegen deze besluiten in, waardoor deze onaantastbaar werden.

Eiser verzocht vervolgens herziening van deze besluiten op grond van een strafrechtelijk arrest waarin hij werd veroordeeld voor één hennepoogst, wat hij interpreteerde als een kortere periode dan verweerder had aangenomen. Verweerder wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden, conform artikel 4:6 Awb Pro.

De rechtbank overweegt dat het bestuursorgaan bevoegd is herhaalde aanvragen inhoudelijk te beoordelen, maar ook mag afwijzen als geen nieuwe feiten zijn aangevoerd. Het strafrechtelijke arrest vormt geen nieuw feit in bestuursrechtelijke zin. De rechtbank bevestigt dat de eerdere besluiten terecht zijn genomen en dat het beroep ongegrond is.

Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter Lauryssen op 9 september 2020 en kan binnen zes weken worden bestreden bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het afwijzen van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/5216

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W. Hovingh),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: mr. K. Ait-Moha).

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat niet wordt teruggekomen op de beslissingen van 23 juni 2016.
Bij besluit van 14 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is op 13 augustus 2020 op een Skype-zitting behandeld. Eiser heeft daaraan samen met zijn gemachtigde deelgenomen. Verweerder is daarbij vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt sinds 13 september 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
1.1
Bij besluit van 23 juni 2016 heeft verweerder de uitbetaling van deze uitkering over de periode 23 oktober 2012 tot 3 juni 2014 stopgezet omdat eiser over deze periode inkomsten uit hennepteelt heeft ontvangen. Ook heeft verweerder van eiser een bedrag van € 5.458,27 als onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd. Eveneens bij besluit van 23 juni 2016 heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 2.470,-, omdat eiser niet heeft doorgegeven dat hij inkomsten heeft gehad uit hennepteelt.
1.2
Eiser heeft het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ingetrokken, waardoor deze besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden.
1.3
Het hier aan de orde zijnde verzoek strekt ertoe dat verweerder van deze besluiten terugkomt. Eiser heeft daartoe gewezen op het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 december 2018, waarin hij is veroordeeld voor één hennepoogst. Volgens eiser staat één oogst gelijk aan acht weken, zodat hij slechts twee maanden ten onrechte een uitkering heeft ontvangen. Eiser heeft verweerder daarom verzocht de terugvordering tot twee maanden te beperken en de boete te verlagen.
1.4
Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, omdat het geen nieuwe feiten en omstandigheden bevat. Volgens verweerder kan een (later) strafrechtelijk oordeel niet als novum in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden beschouwd.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
2.1
Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Uitgangspunt is thans dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen, ook als de rechtzoekende aan de herhaalde aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Voor het -nieuwe- toetsingskader is van belang welke keuze het bestuursorgaan in het voorliggende geval maakt.
2.2
Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (onder meer de uitspraak van 2 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1548) worden onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
2.3
Nu verweerder het herzieningsverzoek heeft afgewezen en daarbij toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of verweerder zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval, zodat dat de afwijzing van het herzieningsverzoek in beginsel kan dragen.
2.4
Uit het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland van 3 oktober 2016 blijkt dat de rechtbank onder meer wettig en overtuigend bewezen heeft geacht dat eiser in de periode van 15 april 2014 tot en met 3 juni 2014 opzettelijk 90 hennepplanten heeft geteeld. Uit het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 7 december 2018 blijkt dat dit vonnis is bevestigd, waarbij is overwogen dat, gezien de in de tenlastelegging opgenomen periode van 15 april 2014 tot en met 3 juni 2014, geen sprake is van (meerdere) oogsten doch slechts van telen.
2.5
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geoordeeld dat het door eiser overgelegde arrest van het gerechtshof Amsterdam geen aanleiding behoefde te vormen om van de besluiten van 23 juni 2016 terug te komen. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, onder meer de uitspraken van 7 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1072) en van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3864), is de bestuursrechter in het algemeen niet gebonden aan wat door de strafrechter is geoordeeld, te minder nu in een dergelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat, hoewel de uitkomst van de strafrechtelijke procedure op zichzelf wel als een nieuw gegeven kan worden aangemerkt, geen sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. In het geval van eiser bestaat geen aanleiding om daar anders over te oordelen. De rechtbank stelt vast (vergelijk de uitspraak van 23 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1449) dat eiser in het vonnis van 3 oktober 2016 is veroordeeld voor hennepteelt in de tenlastegelegde periode van 15 april 2014 tot en met 3 juni 2014, welk vonnis het Gerechtshof heeft bevestigd. Van een strafrechtelijke vrijspraak is geen sprake. Het vonnis bevat verder geen oordeel over de niet tenlastegelegde periode waarover verweerder de uitbetaling van de WAO-uitkering van eiser heeft stopgezet en teruggevorderd. Aan de hand van het dossier is het de rechtbank verder niet gebleken dat eiser door verweerder aan het lijntje is gehouden, zoals ter zitting is aangevoerd. Verder is de rechtbank niet gebleken dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De argumenten in het kader van het onderzoek, zoals neergelegd in de pleitnota, zijn inhoudelijke argumenten die eiser tegen de oorspronkelijke besluiten had kunnen en moeten inbrengen.
3. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 9 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.