Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2020 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
.
Rechtbank Noord-Holland
Eiser kreeg voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd door de Belastingdienst, nadat de aftrek van specifieke zorgkosten was gecorrigeerd. Eiser maakte bezwaar en leverde medische verklaringen aan ter onderbouwing van de aftrekposten. De Belastingdienst handhaafde een vermindering van de aanslag, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij en zijn echtgenote in 2014 leden aan incontinentie of andere aandoeningen die de extra zorgkosten rechtvaardigen. De aftrek van vervoerskosten werd eveneens afgewezen wegens gebrek aan bewijs. Het correctiebeleid van de Belastingdienst werd besproken, waarbij werd geoordeeld dat de navorderingsaanslag terecht was opgelegd ondanks dat het te betalen bedrag na bezwaar onder de drempel van €450 kwam.
Verder werd vastgesteld dat de Belastingdienst een onrechtmatigheid beging door bij de navorderingsaanslag de verhogingsfactor van artikel 6.19 Wet IB 2001 niet toe te passen, wat recht gaf op een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase. Deze werd echter afgewezen vanwege samenhang met een andere zaak waarbij reeds vergoeding was toegekend.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden met ongeveer tien maanden, waardoor eiser recht had op een immateriële schadevergoeding van €500 per halfjaar, waarvan €200 werd toegekend aan eiser en €300 aan de Minister van Justitie en Veiligheid. De proceskosten werden eveneens verdeeld tussen verweerder en de Minister.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag wordt ongegrond verklaard, met toekenning van beperkte immateriële schadevergoeding en afwijzing van proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.