Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2020:7769

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 oktober 2020
Publicatiedatum
1 oktober 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2484
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 3 onder b AOWArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening AOW-pensioen ten onrechte omgezet naar gehuwdenpensioen bij duurzaam gescheiden leven

Eiser ontvangt sinds 2014 een alleenstaandenpensioen op grond van de AOW. Na het aangaan van een geregistreerd partnerschap in oktober 2019 heeft de Sociale Verzekeringsbank het pensioen van eiser omgezet in een gehuwdenpensioen. Eiser betwist deze wijziging en stelt dat hij en zijn partner duurzaam gescheiden leven, ondanks het geregistreerd partnerschap.

De rechtbank overweegt dat duurzaam gescheiden leven betekent dat beide partners hun eigen leven leiden alsof zij niet gehuwd zijn, en dat deze toestand bestendig is bedoeld. Uit de feiten blijkt dat eiser en zijn partner al sinds 1993 een hechte vriendschap hebben zonder seksuele relatie, gescheiden wonen, gescheiden financiën hebben vastgelegd, en geen gezamenlijke huishouding voeren. Het geregistreerd partnerschap is uitsluitend aangegaan om elkaar medische beslissingsbevoegdheid te geven.

De rechtbank concludeert dat eiser en zijn partner ondubbelzinnig duurzaam gescheiden leven en dat de SVB ten onrechte het pensioen heeft herzien. Het bestreden besluit wordt vernietigd, het primaire besluit herroepen en het pensioen wordt teruggezet naar het alleenstaandenpensioen. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het pensioen wordt teruggezet naar alleenstaandenpensioen wegens duurzaam gescheiden leven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/2484

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.H. Koning).

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het pensioen van eiser op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) omgezet van een pensioen voor alleenstaanden naar een pensioen voor gehuwden.
Bij besluit van 8 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2020. Eiser is verschenen, vergezeld door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser ontvangt sinds 14 augustus 2014 een pensioen voor alleenstaanden op grond van de AOW. Op 1 oktober 2019 is eiser een geregistreerd partnerschap aangegaan met mevrouw [naam] . Eiser en mevrouw [naam] wonen niet samen.
2. Verweerder heeft vanwege het geregistreerd partnerschap het pensioen van eiser omgezet van een alleenstaandenpensioen in een gehuwdenpensioen met ingang van 1 november 2019. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, omdat niet kan worden gesteld dat eiser een eigen leven leidt alsof er geen huwelijk is.
3.1
Eiser voert aan dat hij en mevrouw [naam] elkaar in 1993 hebben leren kennen en nooit een traditionele relatie hebben gehad. Ze wonen apart van elkaar en leiden ieder hun eigen leven. Zij zien elkaar wel een aantal keer per week, eten samen, gaan weekendjes weg en gaan samen op vakantie. Ze zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan om er voor elkaar te kunnen zijn als dat in de toekomst nodig zou zijn. Ze willen beslissingen voor elkaar kunnen nemen, mocht een van hen dit niet meer zelf kunnen door ziekte. Verder heeft het geregistreerd partnerschap geen wijziging in hun relatie aangebracht. Eiser heeft verweerder al in een vroeg stadium op de hoogte gebracht van het voornemen een geregistreerd partnerschap aan te gaan. Hij heeft met deze brief niet willen zeggen dat hij onderkent dat een wijziging in zijn leefsituatie gevolgen kan hebben voor de hoogte van zijn pensioen, zoals verweerder stelt. Uit het onderzoek woonsituatie volgt volgens eiser dat hij en zijn partner gescheiden wonen en leven en dat ook blijven doen. Dit blijkt ook uit de overgelegde partnerschapsvoorwaarden.
3.3
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één van hun gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander was gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld. Verder is in de rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving - al dan niet op termijn - aan te gaan en voor elkaar zorg te dragen, maar dat het niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum of datum van het geregistreerd partnerschap van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. [1]
3.4
De vraag die moet worden beantwoord is of sprake is van een uitzonderingssituatie als hiervoor bedoeld. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Hiervoor is het volgende redengevend. Eiser en mevrouw [naam] hebben verklaard elkaar al sinds 1993 te kennen en een relatie te hebben. Ter zitting hebben zij verduidelijkt dat dit geen LAT-relatie is, maar een zeer hechte vriendschap. Zij hebben ook geen seksuele relatie met elkaar. Zij hebben altijd separaat gewoond, zijn niet van plan om te gaan samenwonen en hebben gescheiden financiën. Dit laatste hebben ze vast laten leggen in hun partnerschapsvoorwaarden, opgemaakt door een notaris. Zij hebben wel de sleutel van elkaars woning, maar dat is voor noodgevallen. Zij zien elkaar op vaste dagen in de week en eten dan ook wel eens samen in de woning van mevrouw [naam] . Ze overnachten niet bij elkaar. Hoewel eiser en mevrouw [naam] op het formulier van verweerder hebben aangegeven zich als stel te presenteren, heeft eiser dit ter zitting geloofwaardig genuanceerd in die zin dat zij zich zien als een paar apart en dat zij niet als stel deelnemen aan sociale activiteiten met anderen. Zij hebben het geregistreerd partnerschap ook niet naar anderen toe kenbaar gemaakt. Zij maken als vrienden samen uitstapjes en gaan samen op vakantie. Mevrouw [naam] heeft ook andere contacten waarmee zij dergelijke activiteiten onderneemt. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt volgens de rechtbank ondubbelzinnig dat eiser en zijn partner duurzaam gescheiden leven. Voorts heeft eiser toegelicht dat zij het geregistreerd partnerschap alleen zijn aangegaan om elkaar in staat te stellen medische beslissingen te nemen als een van hen die niet meer zelf kan nemen. Dit wijst weliswaar op een zekere mate van onderlinge zorg, maar is gelet op de andere omstandigheden onvoldoende om te kunnen zeggen dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Daarbij betrekt de rechtbank dat onbestreden is gesteld dat het aangaan van een geregistreerd partnerschap of een huwelijk de meest zekere manier is om dit voor elkaar te kunnen regelen. Eiser heeft andere manieren onderzocht, maar die boden niet dezelfde zekerheid. Eiser en mevrouw [naam] hebben geen contact met familie en wensen dan ook niet dat familie op een dergelijk moment zeggenschap hierover zou krijgen of dat hier discussie over zou kunnen ontstaan.
3.5
Gezien deze omstandigheden moet geoordeeld worden dat eiser en mevrouw [naam] een eigen leven leiden als waren zij niet gehuwd. De situatie van eiser is in zoverre dan ook vergelijkbaar met die in de hiervoor vermelde uitspraak van de CRvB van 14 december 2012.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser en zijn partner niet duurzaam gescheiden leven van elkaar als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Dat betekent dat verweerder op basis hiervan niet heeft kunnen overgaan tot herziening van het AOW-pensioen van eiser. Het bestreden besluit is niet toereikend gemotiveerd. Dat is in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat gelet op het voorgaande rechtens nog maar één besluit mogelijk is, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de rechtbank het primaire besluit herroept en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Dat betekent dat de herziening van het AOW-pensioen van eiser per 1 november 2019 geheel ongedaan wordt gemaakt.
5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
6. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het
vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.L. Rogmans, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3426 en 14 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6807.