ECLI:NL:RBNHO:2020:8527
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid en giftenaftrek bij herziening verzamelinkomen belastingjaren 2013 en 2014
Eiseres betwistte de herzieningsbeschikkingen van de belastingdienst waarin haar verzamelinkomens voor 2013 en 2014 werden verhoogd, en stelde dat de belastingdienst hiertoe niet bevoegd was omdat de oorspronkelijke aanslagen nihil waren. Daarnaast voerde zij aan dat de giftenaftrek ten onrechte was geweigerd.
De rechtbank stelde vast dat het verzamelinkomen als een voor bezwaar vatbare beschikking moet worden beschouwd, zodat de belastingdienst bevoegd is deze te herzien overeenkomstig de regels voor navordering, ook als er geen belasting wordt nagevorderd. Dit volgt uit artikel 21c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de parlementaire geschiedenis.
Ten aanzien van de giftenaftrek oordeelde de rechtbank dat eiseres niet aan haar bewijslast had voldaan om de aftrekbare giften aannemelijk te maken, omdat zij geen specificatie of bewijs van begunstigden had geleverd. Daarom was het terecht dat de belastingdienst de aftrek had geweigerd.
Eiseres verzocht tevens om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde dat de procedure langer dan twee jaar had geduurd, maar dat het financiële belang nihil was, zodat geen aanleiding was om spanning en frustratie aan te nemen en een schadevergoeding toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.