ECLI:NL:RBNHO:2020:9697
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergrijpboete wegens onvoldoende bewijs opzet verzwijging buitenlandse vermogensbestanddelen
Eiseres werd geconfronteerd met een vergrijpboete in verband met het opzettelijk verzwijgen van buitenlandse vermogensbestanddelen in haar belastingaangifte over 2013. De vergrijpboete was opgelegd omdat verweerder aannam dat eiseres bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat zij te weinig belasting zou betalen door het niet aangeven van deze vermogensbestanddelen die op naam van haar echtgenoot stonden.
Tijdens de procedure stelde eiseres dat zij niet op de hoogte was van het bezit van deze buitenlandse bankrekeningen en onroerende zaken, omdat deze niet op haar naam stonden geregistreerd. Verweerder kon dit onvoldoende onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat de vergrijpboete daarom niet terecht was en vernietigde deze.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden met ongeveer zestien maanden, waarvoor eiseres een immateriële schadevergoeding van €1.500 werd toegekend. Ook werden de proceskosten van eiseres aan verweerder opgelegd.
De aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2013 werd omgezet van primitieve aanslag naar navorderingsaanslag, wat tijdig was gebeurd. De vergrijpboete van 150% van de nagevorderde belasting was opgelegd binnen de wettelijke termijnen maar werd vernietigd wegens gebrek aan bewijs van opzet.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland op 9 november 2020, waarbij de Staat der Nederlanden werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.
Uitkomst: De vergrijpboete wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van opzet en eiseres ontvangt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.