Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
van € 5 leverde dit de totale aftrek van € 2.399 op.
om informatie over de aangiften 2012 tot en met 2015 verstuurd aan de klanten van WKH. […] Een klein deel van de vragenbrieven had betrekking op papieren aangiften die vermoedelijk ook door WKH zijn ingediend. Om de omvang van het fiscale nadeel te bepalen, is voor deze mailing een ondergrens gehanteerd van [onleesbaar gemaakt]. Naar aanleiding van deze vragenbrieven zijn in veel gevallen navorderingsaanslagen opgelegd, omdat de opgevoerde zorgkosten niet aannemelijk gemaakt konden worden.”
Geschil21. In geschil is of eiseres recht heeft op een hogere aftrek specifieke zorgkosten. Voor alle jaren is de aftrek extra kleding en beddengoed in geschil alsook, met uitzondering van het jaar 2014, de aftrek dieetkosten. Verder is voor de jaren 2014 en 2015 in geschil of verweerder een ambtelijk verzuim heeft begaan en is ter zake van alle jaren in geschil of de navorderingsaanslagen in strijd met het correctiebeleid zijn opgelegd.
Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen conform die hierboven uiteengezette standpunten.
Op eiseres rust de last aannemelijk te maken dat dergelijke uitgaven zijn gedaan, dat de uitgaven op haar hebben gedrukt en dat aan de overige voorwaarden voor aftrek is voldaan.
Wat betreft het beroep van eiseres op opgewekt vertrouwen vanwege de voor de echtgenoot in 2014 wel geaccepteerde aftrek, acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiseres daaraan in redelijkheid vertrouwen heeft kunnen ontlenen. In dezelfde uitspraak op bezwaar waarin staat dat de aftrek voor de echtgenoot in 2014 wordt verleend, wordt deze voor eiseres immers geweigerd, evenals de aftrek voor eiseres en haar echtgenoot voor alle andere jaren geweigerd is. Uit de door verweerder gegeven toelichting blijkt dat er bijzondere omstandigheden waren (het zorgoverzicht 2014 met vermelding van materiaal en van urineweginfecties) die in het licht van het overlijden van de echtgenoot in 2014 tot een coulante behandeling van de aftrek hebben geleid. Daaraan kan geen in rechte te beschermen vertrouwen ontleend worden voor het geval van eiseres en ook niet voor de eerdere jaren waarin voor de echtgenoot de aftrek is geclaimd.
De rechtbank onderschrijft deze opvatting van partijen, stelt de totale vergoeding vast
op € 2.000 en overweegt als volgt. Er is sprake van samenhang, nu de zaken van eiseres in beroep gelijktijdig zijn behandeld en in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Het (eerste) bezwaarschrift is ingediend op 21 november 2017, de laatste uitspraak op bezwaar is gedaan op 19 mei 2020 en de rechtbank doet uitspraak op 16 november 2021, zodat in deze zaken de redelijke termijn is overschreden met afgerond 24 maanden welke periode geheel is toe te rekenen aan de bezwaarfase. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden zijn niet aan de orde.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de navorderingaanslag ib/pvv 2012 naar een verzamelinkomen van € 1.372 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- vermindert de navorderingaanslag ib/pvv 2013 naar een verzamelinkomen van € 2.989 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- vernietigt de beschikking ib/pvv 2014 en de beschikking belastingrente;
- vernietigt de navorderingaanslag ib/pvv 2015 en de beschikking belastingrente;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres voor een bedrag van € 2.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 3.600, en
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht van € 96.