De passagiers vorderden compensatie van €2.400,00 wegens vertraging van hun vlucht van Amsterdam naar Orlando via Frankfurt op 19 december 2019, gebaseerd op Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder, Lufthansa German Airlines, betwistte de aansprakelijkheid en stelde dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk luchtverkeersleidingrestricties.
De kantonrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de procedure correct was ingesteld, ook namens de minderjarige passagier. De vervoerder toonde aan dat de vertraging van de vluchten LH 988 en LH 989 voortkwam uit verlate uitgifte van start-up approval times en slots door luchtverkeersleiding, wat buiten haar invloedsfeer lag.
De passagiers konden de aansluitende vlucht naar Orlando niet halen, maar de vervoerder had een buffer van 45 minuten aangehouden en hen omgeboekt naar een latere vlucht. De kantonrechter concludeerde dat de vervoerder alle redelijke maatregelen had genomen en dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, waardoor de compensatieclaim werd afgewezen.
De passagiers werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente. Er staat geen hoger beroep open tegen deze beschikking.