Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
In de ingediende aangifte IB/PVV 2013 heeft eiseres een bedrag van € 17.386 (€ 12.758 aan eigenwoningrente met de omschrijving “hypotheek” en een bedrag van € 4.628 aan financieringskosten) als aftrekpost eigen woning in aanmerking genomen. Daarbij is gevoegd een specificatie van de in aftrek gebrachte kosten eigen woning (zie hierna onder 7). De aanslag IB/PVV 2013 is op 10 april 2015 conform deze aangifte opgelegd.
- De al eerder bij de aangifte gevoegde specificatie van de in aftrek gebrachte kosten eigen woning. Het bedrag van de financieringskosten van € 4.628 is gespecificeerd en vermeld is dat de hypotheekrente van in totaal € 12.758 bestaat uit een bedrag van
- Een transactiedetail van de Rabobankrekening van eiseres met daarop een betaling de dato 6 maart 2013 van € 382,41 op een lening van ASR.
- Een jaaropgave rente en restant hoofdsom per 31 december 2013 van ASR voor eiseres waarop een rentebedrag van afgerond € 2.893 vermeld is.
- Een nota van afrekening van een notaris ten name van eiseres waarop vermeld is dat de woning aan [naam 3] verkocht is en dat onder meer het hypotheekbedrag
Geschil9. In geschil is of de navorderingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte aan eiseres is opgelegd.
In het onderhavige geval waarin van partnerschap geen sprake is, is voor het recht op aftrek naast het zijn van schuldenaar vereist dat de kosten op eiseres hebben gedrukt. Die vraag of kosten op iemand drukken staat los van en kan afwijken van de gerechtigdheid tot een schuld, omdat het immers zo kan zijn dat iemand anders de rente aan de schuldenaar heeft vergoed. Het betoog van eiseres dat zij de rente kan aftrekken, omdat zij bij de notaris de aflossing diende te betalen, ziet op het juridische schuldenaarschap en hoeft dus nog niet betekenen dat zij de rente heeft gedragen. Verweerder heeft het drukken van de rentebetalingen op eiseres betwijfeld, omdat eiseres buiten het bedrag van € 382,41 geen bewijs omtrent het betalen van de rentebedragen heeft kunnen aanbrengen, terwijl verweerder daar herhaaldelijk om heeft gevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er daarom niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat meer rente op haar heeft gedrukt dan verweerder al in aftrek heeft toegelaten (Vgl. Hof Amsterdam 11 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ7227).
van € 2.000 (4 x € 500). Hiervan dient een bedrag van € 1.913 door verweerder vergoed te worden en een bedrag van € 87 door de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid).
Beslissing
mr. M.L. Berkhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2021.