AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Herstelvonnis over wettelijke verhoging en rente bij te late loonbetaling
Op 28 oktober 2020 sprak de rechtbank Noord-Holland een vonnis uit in een arbeidsrechtelijke zaak tussen eiseres en PDX Services B.V. Eiseres verzocht om herstel van het vonnis op grond van artikel 31 RvPro wegens een vermeende tegenstrijdigheid tussen rechtsoverweging 5.9. en het dictum onder 6.3. Zij wilde dat PDX werd veroordeeld tot betaling van wettelijke verhoging en wettelijke rente over het loon van mei tot en met augustus 2020.
PDX stelde dat er geen sprake was van te late betaling over mei tot en met juli 2020 en dat de vermeende fout een kennelijke verschrijving betrof. De kantonrechter oordeelde dat er geen kennelijke fout was die eenvoudig hersteld kon worden, maar zag wel aanleiding het vonnis aan te vullen op grond van artikel 32 RvPro.
De kantonrechter besloot alsnog te oordelen over de wettelijke verhoging en rente over de maanden mei tot en met augustus 2020. Het vonnis werd aangepast zodat de wettelijke verhoging van 20% en wettelijke rente worden toegewezen voor de maanden waarin het loon niet tijdig werd betaald, met een matiging van de verhoging. PDX werd veroordeeld het bruto maandsalaris met vakantietoeslag en wettelijke verhoging en rente over de betreffende maanden te betalen tot het einde van de arbeidsovereenkomst.
Dit herstelvonnis is uitgesproken door kantonrechter D.P. Ruitinga en vormt een aanvulling op het eerdere vonnis van 28 oktober 2020.
Uitkomst: PDX wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke verhoging en rente over te laat betaald loon van mei tot en met augustus 2020.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
zaak/rolnr: 8438309 CV EXPL 20-3192
datum uitspraak: 13 januari 2021
Herstelvonnis in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [woonplaats]
eiseres
gemachtigde: mr. L.N. Hermes
procederend krachtens toevoegingnummer 4OB0312
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heat Amsterdam B.V.
gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Overveen
verder te noemen: Heat
gemachtigde: mr. D.M.A. van Zijl
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PDX Services B.V.
gevestigd te Almere, kantoorhoudende te Amsterdam
verder te noemen: PDX
gemachtigde: mr. C.A. Fokker
gezamenlijk te noemen: gedaagden
De procedure
Op 28 oktober 2020 is een vonnis uitgesproken met het hierboven vermelde zaak- en rolnummer. De griffie heeft op 9 november 2020 een brief ontvangen van de gemachtigde van [eiseres] . In deze brief verzoekt [eiseres] om verbetering van het vonnis op grond van artikel 31 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gemachtigde van PDX heeft op 31 december 2020 gereageerd op het verzoek van [eiseres] .
De beoordeling
[eiseres] meent dat rechtsoverweging 5.9. tegenstrijdig is met het dictum onder rechtsoverweging 6.3. In rechtsoverweging 5.9. is immers de vordering van [eiseres] tot betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het (inmiddels betaalde loon) over de maanden januari tot en met augustus 2020 toegewezen. [eiseres] verzoekt dan ook om wijziging van het dictum onder 6.3., waarbij PDX ook wordt veroordeeld om de wettelijke verhoging van 20% en de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening te betalen.
PDX heeft gereageerd op het herstelverzoek en stelt dat het bepaalde in rechtsoverweging 5.9. eerder op een kennelijke verschrijving berust, nu door [eiseres] niet is aangevoerd dat het loon over de maanden mei tot en met juli 2020 te laat betaald zou zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat PDX het loon over die maanden tijdig heeft voldaan.
Voor wat betreft het verzoek van [eiseres] tot wijziging van het vonnis van 28 oktober 2020 in randnummer 5.9. is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent als bedoeld in artikel 31 vanPro het Wetboek van Rechtsvordering. De kantonrechter ziet wel aanleiding tot het aanvullen van het vonnis als bedoeld in artikel 32 vanPro het Wetboek van Rechtsvordering. De kantonrechter heeft verzuimd over het onderdeel wettelijke verhoging en wettelijke rente over de maanden mei tot en met augustus 2020 te beslissen en doet dat nu alsnog na aanleiding van de brieven van de gemachtigden van partijen en met inachtneming van hetgeen daarin is aangevoerd.
De beslissing
De kantonrechter verbetert het vonnis van 28 oktober 2020 zodat rechtsoverwegingen 5.9. en 6.3. als volgt luiden:
5.9.
De vordering van [eiseres] tot betaling van de wettelijke verhoging over het (inmiddels betaalde) loon over de maanden januari 2020 tot en met augustus 2020 zal voor wat betreft de maanden januari 2020 tot en met april 2020 en de maanden juli 2020 en augustus 2020 worden toegewezen, omdat het loon in die maanden niet binnen drie werkdagen na de door artikelen 7:623 en 7:624 lid 1 BW toegestane termijn is betaald. De wettelijke verhoging is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon tijdig te betalen om te voorkomen dat de werknemer in financiële problemen raakt. De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging tot 20% te matigen. Eveneens zal de wettelijke rente over het te laat betaalde loon worden toegewezen.
6.3.
veroordeelt PDX om aan [eiseres] te betalen vanaf 1 mei 2020 het bruto maandsalaris van € 1.740,66 te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, een en ander met inachtneming van het verschuldigde loonbetalingspercentage bij ziekte op basis van de cao voor de Contractcatering, tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst op een rechtsgeldige wijze eindigt, voor wat betreft de maanden juli en augustus 2020 eveneens te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% en de wettelijke rente, zoals in 6.2.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga en is gehecht aan het vonnis van 28 oktober 2020, waarin deze verbetering als ingelast en overgenomen wordt beschouwd. Het verbeterde vonnis is opnieuw uitgesproken ter openbare terechtzitting van bovenvermelde datum in aanwezigheid van de griffier.