Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2021:1250

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 januari 2021
Publicatiedatum
15 februari 2021
Zaaknummer
8768204 AO VERZ 20-153
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673 BWArt. 237 lid 4 RV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek transitievergoeding niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang na dagvaardingsprocedure

De verzoeker was sinds juni 2019 in dienst als Commercieel Manager en zijn arbeidsovereenkomst werd in mei 2020 opgezegd met ingang van 20 juni 2020. Hij verzocht de kantonrechter om betaling van een transitievergoeding op grond van artikel 7:673 BW Pro, voor het geval er sprake was van een arbeidsovereenkomst.

De arbeidsovereenkomst was gewijzigd per januari 2020 waarbij de verweerster als werkgever was aangewezen. De verweerster erkende de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 20 juni 2020 en stelde zich niet op het standpunt dat de transitievergoeding niet verschuldigd was.

De kantonrechter behandelde dit verzoek gelijktijdig met een dagvaardingsprocedure over hetzelfde onderwerp. Gezien de uitkomst van die procedure, waarin eveneens op dezelfde dag uitspraak werd gedaan, oordeelde de kantonrechter dat de verzoeker geen belang meer had bij deze verzoekschriftprocedure.

Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd de verzoeker veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de verweerster. De beschikking werd op 20 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek tot transitievergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8768204 AO VERZ 20-153
Uitspraakdatum: 20 januari 2021
Beschikking in de zaak van:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats]
verzoeker
verder te noemen: [verzoeker]
gemachtigde: mr. A.W. Brantjes en mr. V.J. Carvalho Mota
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster]
gevestigd te [plaats]
verweerster
verder te noemen: [verweerster]
gemachtigde: mr. J. Veenis

1.Het procesverloop

1.1.
[verzoeker] heeft een voorwaardelijk verzoek ingediend om [verweerster] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding, voor het geval tussen partijen een arbeidsovereenkomst en geen managementovereenkomst heeft bestaan. [verweerster] heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
Op 17 december 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Op verzoek van partijen is deze zaak gelijktijdig met de comparitie van de samenhangende dagvaardingsprocedure met als zaaknummer 8782175 CV EXPL 20-8162 behandeld. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren [in 1980] , is met ingang van 21 juni 2019 voor één jaar bij [vennootschap] in dienst getreden in de functie van Commercieel Manager tegen een bruto maandsalaris van € 3.900,- exclusief vakantietoeslag en emolumenten.
2.2.
Met ingang van 15 januari 2020 is de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] gewijzigd in die zin dat [verweerster] als werkgever de overeenkomst heeft opgevolgd.
2.3.
Bij e-mail van 14 mei 2020 heeft [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] per 20 juni 2020 opgezegd.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om [verweerster] te veroordelen tot:
betaling van een transitievergoeding van € 1.404,- bruto, binnen twee dagen na de in deze te wijzen beschikking;
het voornoemd bedrag onder 1. te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2020 danwel een door de kantonrechter te bepalen termijn, tot algehele voldoening heeft plaatsgevonden;
betaling van een transitievergoeding berekend tot de in rechte vastgestelde einddatum van de arbeidsovereenkomst, uiterlijk binnen een maand na die einddatum, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf dat moment indien tijdige betaling uitblijft tot algehele voldoening heeft plaatsgevonden;
betaling in de kosten van beide procedures, waaronder tevens begrepen een salaris voor de gemachtigde en betaling van nakosten (krachtens artikel 237 lid 4 RV Pro), met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na de beschikking zijn betaald, [verweerster] daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag – kort gezegd – dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 20 juni 2020 en dat hij op grond van artikel 7:673 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht heeft op een transitievergoeding.

4.Het verweer

4.1.
[verweerster] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op 20 juni 2020 van rechtswege is geëindigd. [verweerster] verweert zich niet tegen de toekenning van de transitievergoeding berekend per deze datum.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerster] moet worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding.
5.2.
Gelet op de uitkomst van de dagvaardingsprocedure met als zaaknummer 8782175 CV EXPL 20-8162 die tussen partijen is gevoerd met betrekking tot hetzelfde onderwerp en waarin eveneens heden uitspraak wordt gedaan, heeft [verzoeker] geen belang meer bij nog eens een afzonderlijke toewijzing van hetgeen door hem in deze verzoekschriftprocedure is verzocht. Derhalve dient [verzoeker] in alle onderdelen van het voorwaardelijk verzoekschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard en dient alleen nog een beslissing te worden genomen ten aanzien van de proceskosten. De kantonrechter oordeelt dat [verzoeker] gelet op de uitkomst van deze procedure met die kosten dient te worden belast. Het voorgaande leidt tot de volgende beslising.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
verklaart het verzoek van [verzoeker] niet-ontvankelijk;
6.2.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de zijde van [verweerster] tot en met vandaag vaststelt op € 480,00 aan salaris van gemachtigde.
6.3.
verklaart vorenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.P. Ruitinga, kantonrechter en op 20 januari 2021 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter