Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2021 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
[B] .
Overwegingen
Op 9 december 2013 heeft eiser [D] B.V. (de BV) opgericht. Eiser is enig aandeelhouder en directeur van de BV. Er zijn verder geen werknemers in dienst bij de BV.
1 maart 2015 tot en met 31 juli 2015. De overeengekomen arbeidsbeloning bedraagt € 410 per werkdag met een maximum van € 45.100 voor werkzaamheden uit te voeren in [I] als ‘construction manager’. Daarnaast zijn met [G] verschillende kostenvergoedingen overeengekomen.
van € 44.000 vanwege in aanmerking te nemen gebruikelijk loon voor werkzaamheden die eiser voor zijn BV heeft verricht en om de vergrijpboete die door verweerder is opgelegd vanwege het verwijt dat het aan opzet te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.
Verweerder stelt met betrekking tot het jaar 2014 dat het loon van [E] door eiser had moeten worden opgegeven in zijn aangifte, wat eiser had moeten weten. Met betrekking tot het jaar 2015 stelt verweerder dat eiser zich er bewust van was of had moeten zijn dat hij voor de werkzaamheden voor de BV inkomen in zijn aangifte had moeten opgeven. Hij heeft verschillende bedragen van de BV onder de vermelding ‘salaris’ overgemaakt naar andere rekeningen, waaronder die van zijn echtgenote. Een gebruikelijk loon van € 44.000 is niet te hoog. Het gebruikelijk loon wordt niet tijdevenredig berekend, maar zelfs als dit wel zou moeten dan is een loon van € 44.000 voor de werkzaamheden passend. Ook de vergrijpboete is terecht opgelegd, omdat sprake is van opzet. Subsidiair is ten minste sprake van grove schuld en is een boete van 25% op zijn plaats, aldus verweerder.
12 maanden, herberekend naar 4 maanden). De belastingrente wordt dienovereenkomstig verminderd. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Vanwege de verminderingen (hier en onder 13) dient het beroep voor het jaar 2014 gegrond te worden verklaard.
van € 5.000 hoog vindt, maar wel kan betalen. De boete staat in verhouding tot de ernst van de gedraging. Daarmee is de boete van € 5.000 naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden.
Beslissing
- verklaart beide beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2014;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2015 uitsluitend voor wat betreft de boete;
- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv over 2014 tot een bedrag van € 5.373, en bepaalt dat de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd moet worden en dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- vermindert de boete voor het jaar 2015 tot een bedrag van € 4.500 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 15,62, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.
mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Brits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op [uitspraakdatum].