Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Noord-Holland
Eiser werkte van januari 2013 tot februari 2014 in de binnenvaart en kreeg een A1-verklaring afgegeven door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) die bepaalde dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing was. Na bezwaar en beroep werd dit besluit bevestigd, waarbij werd vastgesteld dat eiser substantieel in Nederland werkte, ondanks dat het percentage net onder de 25% lag. Eiser verzocht om herziening van dit besluit op basis van nieuwe feiten, waaronder een e-mail en een vaartijdenboek (Bordbuch), maar verweerder wees dit verzoek af omdat deze feiten niet nieuw waren en eerder hadden kunnen worden ingebracht.
De rechtbank overwoog dat de SVB terecht het verzoek tot herziening afwees omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere besluit onmiskenbaar onjuist maakten. Eiser had onvoldoende concreet en sluitend aangetoond dat hij niet substantieel in Nederland werkte. Ook de stelling dat de SVB fouten maakte in de toepassing van de regelgeving werd niet gevolgd. De rechtbank benadrukte dat de procedure meerdere malen bij de Centrale Raad van Beroep was behandeld en dat de problematiek niet anders beoordeeld kon worden.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek tot herziening af wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.