Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2021:4751

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 april 2021
Publicatiedatum
11 juni 2021
Zaaknummer
C/15/314689 / HA RK 21/58
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking kinderrechter na mondelinge uitspraak niet-ontvankelijk verklaard

In deze zaak heeft de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarig kind verzocht. De zaak werd behandeld door de kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland op 25 maart 2021, waarbij de ouders aanwezig waren. Direct na de mondelinge behandeling deed de kinderrechter uitspraak.

De vader van het kind diende op 26 maart 2021 een verzoek tot wraking in tegen de kinderrechter, stellende dat deze vooringenomen zou zijn geweest. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en relevante jurisprudentie van de Hoge Raad.

De wrakingskamer oordeelde dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend zolang de rechter de zaak nog behandelt, en niet meer nadat de rechter de einduitspraak heeft gedaan. Omdat de kinderrechter op 25 maart 2021 uitspraak had gedaan en daarmee de behandeling had afgesloten, was het wrakingsverzoek van 26 maart 2021 niet-ontvankelijk.

Daarom stelde de wrakingskamer het verzoek buiten behandeling en wees het af. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de mondelinge uitspraak is ingediend.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/314689 / HA RK 21-58
Beslissing van 8 april 2021
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker],
wonende te Almere,
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. T. M. VAN WASSENAER-WESTGEEST,
hierna te noemen: de kinderrechter.

1.Procesverloop

1.1
De gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de wederpartij in de hoofdzaak) heeft verlenging verzocht van de ondertoezichtstelling van het minderjarige kind [naam] . Deze hoofdzaak, met als zaaknummer C/15/313774 / JU RK 21-401, was aanhangig bij deze rechtbank, team F&J Haarlem. In dat kader heeft op 25 maart 2021 een mondelinge behandeling plaatsgevonden voor de kinderrechter. Verzoeker, zijnde de vader van het kind, was daarbij aanwezig, evenals de moeder van de minderjarige. Beide ouders zijn in de hoofdzaak aangemerkt als belanghebbende. De kinderrechter heeft aan het einde van de behandeling onmiddellijk uitspraak gedaan.
1.2
Verzoeker heeft op 26 maart 2021 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de hoofdzaak.
1.3
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.
1.4
De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek.

2.De beoordeling

2.1
Verzoeker heeft in zijn verzoek bevestigd dat het verzoek op 25 maart 2021 is behandeld. Hij stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter vooringenomen is geweest. Hij verwijst daarbij naar verschillende feiten en omstandigheden die volgens hem ter zitting zijn voorgevallen.
2.2
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit die bepaling volgt dat een verzoek tot wraking kan worden ingediend in elke stand van de procedure zolang de rechter de zaak nog behandelt, maar niet meer als er een einde is gekomen aan de behandeling doordat de rechter begonnen is met het doen van de einduitspraak (vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926 en 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2366). Het wrakingsinstrument is gericht tegen de rechter die de zaak behandelt, en een toewijzing van het verzoek heeft tot gevolg dat de rechter de zaak niet langer behandelt en beslist. Als de behandeling door de rechter al is beëindigd door een einduitspraak, kan een daarna ingediende wraking daar niet meer aan afdoen. Wraking is geen rechtsmiddel tegen een gegeven eindbeslissing. Alleen door hoger beroep bij het gerechtshof kan tegen een door de kinderrechter reeds gegeven eindbeschikking worden opgekomen.
2.3
Verzoeker heeft aan bovenstaand vereiste niet voldaan. Immers, de zaak met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling van zijn kind diende op 25 maart 2021 om 15.30 uur. Hierna is onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan, waarmee de behandeling van de zaak door de kinderrechter toen is voltooid. Het verzoek om wraking is vervolgens gedaan op 26 maart 2021, dus na de uitspraak.
2.4
De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid daarom buiten behandeling stellen. Aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek kan de wrakingskamer niet toekomen.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1
verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
3.2
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter, de wederpartij en de andere belanghebbende (de moeder van het minderjarige kind) in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.J. van Andel, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. H. de Jong, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Alexander, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2021.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.