Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2021:6910

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 augustus 2021
Publicatiedatum
17 augustus 2021
Zaaknummer
C/15/319167 / HA RK 21/158
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoeken tot wraking kinderrechter na uitspraak niet-ontvankelijk verklaard

In deze zaak hebben de moeder van een minderjarig kind en haar vertrouwenspersoon verzocht om wraking van de kinderrechter die de hoofdzaak behandelde over ondertoezichtstelling van het kind. De hoofdzaak werd op 5 augustus 2021 mondeling behandeld en de kinderrechter deed onmiddellijk daarna uitspraak.

De verzoeken tot wraking werden respectievelijk op 5 augustus na de uitspraak en op 6 augustus 2021 ingediend. De wrakingskamer oordeelde dat op grond van artikel 36 Rv Pro een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend zolang de rechter de zaak nog behandelt, maar niet meer nadat de rechter een einduitspraak heeft gedaan.

Omdat de kinderrechter al uitspraak had gedaan voordat de wrakingsverzoeken werden ingediend, werden deze verzoeken als kennelijk niet-ontvankelijk beoordeeld. De wrakingskamer stelde de verzoeken daarom buiten behandeling en wees op het feit dat wraking geen rechtsmiddel is tegen een reeds gegeven eindbeslissing. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: De verzoeken tot wraking van de kinderrechter zijn niet-ontvankelijk verklaard omdat zij na de uitspraak zijn ingediend.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/15/319167 / HA RK 21/158 en C/15/319282 / HA RK 21/160
Beslissing van 13 augustus 2021
Op de verzoeken tot wraking ingediend door:
[verzoekster],
wonende te Erica,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
en
[verzoeker],
wonende te Sint Jansklooster,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
Het verzoek is gericht tegen:
mr. B.M.A. BATAILLE,
hierna te noemen: de kinderrechter.

1.Procesverloop

1.1
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de wederpartij in de hoofdzaak), gevestigd te Haarlem, heeft verzocht het minderjarige kind [naam] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna: de GI), gevestigd te Haarlem. Deze hoofdzaak, met als zaaknummer C/15/318748 / JU RK 21-1425, was aanhangig bij deze rechtbank, team Familie en Jeugd, te Haarlem. In dat kader heeft op 5 augustus 2021 een mondelinge behandeling plaatsgevonden voor de kinderrechter. Verzoekers, respectievelijk zijnde de moeder van het kind en een vertrouwenspersoon van de moeder, waren daarbij aanwezig, evenals de vader van het minderjarige kind en mevrouw [naam] , namens de GI. Beide ouders zijn in de hoofdzaak aangemerkt als belanghebbende. De kinderrechter heeft aan het einde van de behandeling onmiddellijk uitspraak gedaan.
1.2
[verzoekster] heeft vervolgens op 5 augustus 2021 schriftelijk (per e-mail) de wraking verzocht van de kinderrechter in de hoofdzaak. [verzoeker] heeft op 6 augustus 2021 schriftelijk de wraking verzocht van diezelfde kinderrechter.
1.3
De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van de verzoeken. Gelet op de samenhang van beide verzoeken heeft de wrakingskamer besloten tot gelijktijdige behandeling van de verzoeken.

2.De beoordeling

2.1
[verzoekster] heeft in haar verzoek bevestigd dat het verzoek in de hoofdzaak op 5 augustus 2021 is behandeld. Zij stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter vooringenomen is geweest. Zij verwijst daarbij naar verschillende feiten en omstandigheden die volgens haar voor, tijdens en na de mondelinge behandeling zijn voorgevallen.
Ook [verzoeker] heeft in zijn verzoek bevestigd dat het verzoek 5 augustus 2021 is behandeld. Hij stelt zich eveneens op het standpunt dat de kinderrechter vooringenomen is geweest en verwijst daarbij naar verschillende feiten en omstandigheden, die volgens hem voor, tijdens en na de mondelinge behandeling zijn voorgevallen.
2.2
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit die bepaling volgt dat een verzoek tot wraking kan worden ingediend in elke stand van de procedure zolang de rechter de zaak nog behandelt, maar niet meer als er een einde is gekomen aan de behandeling doordat de rechter begonnen is met het doen van de einduitspraak (vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926 en 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2366). Toewijzing van een verzoek tot wraking heeft tot gevolg dat de rechter de zaak niet langer behandelt en beslist. Als de behandeling door de rechter al is beëindigd door een einduitspraak, kan een daarna ingediende wraking daar niet meer aan afdoen. Wraking is geen rechtsmiddel tegen een gegeven eindbeslissing. Alleen door hoger beroep bij het gerechtshof kan tegen een door de rechter reeds gegeven eindbeschikking worden opgekomen.
2.3
[verzoekster] en [verzoeker] hebben aan bovenstaand vereiste niet voldaan. Immers, de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstelling van het kind van [verzoekster] diende op 5 augustus 2021 om 12.15 uur. Hierna is rond 13.15 uur onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan, waarmee de behandeling van de zaak door de kinderrechter toen is voltooid. Het verzoek om wraking van [verzoekster] is vervolgens gedaan op 5 augustus 2021 om 14.42 uur, dus na de uitspraak. Bovendien blijkt uit het wrakingsverzoek zelf reeds dat de kinderrechter op dat moment al uitspraak had gedaan. Hetzelfde geldt voor het verzoek van [verzoeker] . Zijn verzoek om wraking is gedaan op 6 augustus 2021, dus na de uitspraak, en ook uit zijn verzoek blijkt reeds dat de kinderrechter al uitspraak had gedaan.
2.4
De wrakingskamer zal beide verzoeken tot wraking wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid daarom buiten behandeling stellen. Aan een inhoudelijke behandeling van de verzoeken kan de wrakingskamer niet toekomen.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1
verklaart de verzoeken tot wraking niet-ontvankelijk;
3.2
beveelt de griffier onverwijld aan verzoekers, de kinderrechter, de wederpartij en de andere belanghebbenden (de vader van het minderjarige kind en de GI) in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. M. Mateman en mr. J.M. Janse van Mantgem, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Fröberg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2021.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.