ECLI:NL:RBNHO:2021:7424
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en afwijzing beroep op gelijkheidsbeginsel
De rechtbank Noord-Holland behandelde het beroep van eiseres tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning voor het kalenderjaar 2020. Verweerder had de waarde aanvankelijk vastgesteld op € 794.000, later verlaagd naar € 715.000 na bezwaar. Eiseres stelde dat de waarde te hoog was en beriep zich primair op een waarde van € 445.770, subsidiair op € 670.000, gebaseerd op vergelijkbare woningen in de omgeving.
De rechtbank oordeelde dat de waardepeildatum 1 januari 2019 leidend is en dat de waarde dient te worden bepaald op basis van transactiecijfers van vergelijkbare woningen. Het taxatierapport van verweerder, waarin drie referentieobjecten werden gebruikt, bood een goede benadering van de waarde. De rechtbank vond dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de ligging of de garage van de woning te hoog waren gewaardeerd, mede omdat verweerder een correctie had toegepast.
Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de meerderheidsregel stelde de rechtbank dat hiervoor een gemeenschappelijke taxatiefout ten aanzien van een specifiek kenmerk vereist is. Hoewel verweerder erkende dat bij vier vergelijkbare woningen een taxatiefout was gemaakt, was deze fout niet gemaakt ten aanzien van een kenmerk dat deze woningen gemeen hadden. De waarde van de woning van eiseres was na aankoop in 2016 als enige aangepast. Daarom slaagde het beroep op de meerderheidsregel niet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen.