Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een object en stelde verweerder bij brief van 3 maart 2021 in gebreke vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. Volgens de Awb kan beroep worden ingesteld nadat twee weken zijn verstreken na de ingebrekestelling. Eiser diende echter pas op 5 september 2021 het beroepschrift in, ruim vijf maanden na het verstrijken van de beslistermijn.
Verweerder erkende de overschrijding van de beslistermijn en gaf aan dat dit te wijten was aan coronamaatregelen die de postverwerking verstoorden. Desondanks verzocht verweerder de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens onredelijke late indiening, verwijzend naar jurisprudentie van de Hoge Raad en het Gerechtshof Den Haag.
De rechtbank oordeelde dat de lange termijn tussen het verstrijken van de beslistermijn en het indienen van het beroep niet verenigbaar is met het doel van het beroep, namelijk het bestuursorgaan spoedig tot een beslissing bewegen. Er waren geen feiten of omstandigheden die de late indiening konden rechtvaardigen. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd niet toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil.