Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
malingering”, inhoudende dat symptomen worden aangedikt of overdreven met een specifiek doel. Daar komt bij dat de verklaring van de aangever op zichzelf staat. De verklaring van het nichtje van de verdachte [getuige 1] moet als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven omdat zij met ernstige problematiek kampt, drugsverslaafd is en een moeilijke verhouding heeft met haar familie. De overige verklaringen in het dossier zijn “van horen zeggen” en bieden onvoldoende steun aan de feitelijke gedragingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd. Dat er bij de aangever PTSS zou zijn vastgesteld, kan tal van (andere) oorzaken hebben en hoeft niet te betekenen dat er seksueel misbruik door de verdachte heeft plaatsgevonden. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat hooguit ontuchtige handelingen zonder penetratie (feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair) bewezen zouden kunnen worden verklaard.
hij het zijn mond niet uitkreeg, het kwam niet in zijn gedachten voor”.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
(€ 20.000,-) schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit € 5.760,- aan verlies van verdienvermogen.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
12 (twaalf) maanden.
4 (vier) maanden nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 10.000,- (zegge: tienduizend euro), bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 april 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
schadevergoedingsmaatregelten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2004 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.